Belanghebbende, een gemeente, liet multifunctionele accommodaties bouwen met gymnastieklokalen die vanaf ingebruikneming deels om niet aan basisscholen werden ter beschikking gesteld en deels tegen vergoeding aan derden. De gemeente bracht de omzetbelasting over de bouwkosten aanvankelijk niet in aftrek voor het niet-economische gebruik. Na wijziging van het gebruik in 2010, waarbij de gymnastieklokalen volledig tegen vergoeding werden verhuurd, verzocht belanghebbende om teruggaaf van de niet eerder in aftrek gebrachte omzetbelasting.
Het Hof oordeelde dat de gymnastieklokalen deels als overheidshandeling werden gebruikt en dat daardoor geen recht op aftrek of herziening ontstond. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat de gymnastieklokalen vanaf het begin deels voor economische activiteiten werden gebruikt, waardoor de gemeente als ondernemer moet worden aangemerkt en recht heeft op herziening.
De Hoge Raad benadrukte dat het recht op aftrek en herziening afhankelijk is van de hoedanigheid van de verkrijger bij aanschaf van het goed en dat wijziging van het gebruik binnen de herzieningstermijn leidt tot gespreide herziening van de omzetbelasting. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde eerdere uitspraken en kende een teruggaaf van € 65.840 toe aan belanghebbende.