Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
middelen 2 en 3bestrijden de hiervoor weergegeven oordelen van het Hof.
Middel 2betoogt dat als een integratielevering niet is toegepast, de herziening moet plaatsvinden op basis van de in rekening gebrachte belasting.
Middel 3wijst erop dat de zaak van belanghebbende afwijkt van de situatie dat een publiekrechtelijk lichaam een investeringsgoed uitsluitend heeft aangeschaft voor niet-economische activiteiten. De middelen betogen dat belanghebbende op grond van de herzieningsregels een aanvullend recht op teruggaaf heeft.
2.Heeft belanghebbende gedeeltelijk als overheid gehandeld (middel 1)?
Middel 1is terecht voorgesteld. Dit betekent echter nog niet dat het beroep in cassatie gegrond is omdat daarmee nog niet de vraag is beantwoord of belanghebbende recht heeft op herziening van de aftrek. Deze vraag behandel ik hierna.
3.Herziening van de aftrek
Uudenkaupungin kaupunki [10] . Uit hetzelfde arrest volgt dat de herziening verplicht is.
privé / zakelijk
Lennartz [11] . Het gaat in het arrest om een belastingadviseur die in 1985 een auto aanschaft die hij in dat jaar (nagenoeg) alleen voor privédoeleinden gebruikt en slechts in geringe mate – voor ongeveer 8% - voor bedrijfsdoeleinden. Op 1 juli 1986 begint hij een belastingadviespraktijk en brengt hij de auto in zijn onderneming in. [12] In 1986 heeft hij herziening gevraagd van de in 1985 betaalde aankoop-btw. Volgens het Duitse recht werd destijds geen rekening gehouden met het bedrijfsgebruik van goederen wanneer dat gebruik minder dan 10% van het totale gebruik vertegenwoordigt. Volgens de Duitse belastingdienst moest Lennartz daarom worden geacht de auto uitsluitend voor privédoeleinden te hebben gekocht, zodat herziening niet mogelijk was. [13]
Rompelman [15] overweegt het HvJ vervolgens dat een particulier die goederen betrekt met het oog op een economische activiteit optreedt als belastingplichtige, ook wanneer de goederen niet onmiddellijk voor deze economische activiteit worden gebruikt. [16] Het onmiddellijke gebruik van de goederen voor belaste of vrijgestelde handelingen is dus op zich geen voorwaarde voor de toepassing van de herziening. [17] Wel is vereist dat de particulier het investeringsgoed voor zijn (toekomstige) economische activiteiten betrekt en bestemt. De vraag of dat zich in een concreet geval voordoet, is volgens het HvJ een feitelijke vraag die moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen en het tijdsverloop tussen het moment waarop zij zijn betrokken en dat van hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige. [18]
De Jong [19] . De Jong, een aannemer, koopt in 1978 een perceel grond met een opstal. De helft van het perceel verkoopt hij door aan een derde. Vervolgens sloopt hij de opstal en bouwt hij in de uitoefening van zijn bedrijf twee woningen. De woning op het niet verkochte perceel is bestemd voor bewoning door hemzelf. De Inspecteur is van mening dat een onttrekking aan het bedrijf voor privédoeleinden heeft plaatsgevonden en dat zowel over de waarde van de woning als van de grond omzetbelasting moet worden geheven. Artikel 5(6) Zesde richtlijn [20] bepaalde dat met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden. Het HvJ beslist dat De Jong met betrekking tot de grond niet is opgetreden als belastingplichtige maar als particulier, omdat hij de grond uitsluitend voor eigen privédoeleinden heeft verworven. Aangezien de grond niet tot het vermogen van het bedrijf behoort, kan de grond daaraan niet worden onttrokken. Alleen met betrekking tot de woning is btw verschuldigd wegens een onttrekking aan het bedrijf. Hieraan doet niet af dat de grond en de woning door de bouw ervan onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en volgens de Nederlandse wet als één goed worden beschouwd.
Armbrecht [21] heeft het HvJ beslist dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft te kiezen om het gedeelte van een goed dat hij voor privédoeleinden gebruikt, al dan niet tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen. [22] Indien hij besluit het voor privédoeleinden gebruikte gedeelte niet tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen, moet de toerekening plaatsvinden op basis van de verhouding bedrijfsmatig gebruik - privégebruik tijdens het jaar van verwerving. Hij is dan geen heffing verschuldigd op basis van artikel 4(2)a Wet OB en artikel 26(1)a Btw-richtlijn. Armbrecht is eigenaar van een onroerende zaak waarin een hotel, een restaurant en een privéwoning zijn ondergebracht. Bij de verkoop van de onroerende zaak heeft Armbrecht alleen voor het bedrijfsmatig gebruikte gedeelte btw in rekening gebracht. Volgens het HvJ is dit terecht omdat een belastingplichtige bij de verkoop van een goed waarvan hij een gedeelte voor privégebruik heeft bestemd, met betrekking tot dat gedeelte niet als belastingplichtige handelt. Het HvJ bepaalt voorts dat een herziening van de aftrek moet worden beperkt tot het voor het bedrijf gebruikte gedeelte van het goed.
Charles-Charles-Tijmens [23] . Dit geldt zelfs als het bedrijfsmatige gebruik zeer beperkt is. In
Puffer [24] wordt een woning met zwembad voor slechts 11% gebruikt voor zakelijke doeleinden. Sandra Puffer mocht de woning evengoed volledig tot haar bedrijfsvermogen rekenen en de voor de bouw van de woning in rekening gebrachte btw volledig in aftrek brengen. [25] In zo’n geval is de belastingplichtige voor het privégebruik van het goed jaarlijks een heffing verschuldigd op basis van artikel 4(2)a Wet OB en artikel 26(1)a Btw-richtlijn. [26] Na een wijziging van de Btw-richtlijn is dit thans voor onroerende zaken die gedeeltelijk voor privédoeleinden worden gebruikt niet meer mogelijk (zie artikel 168bis). De btw over de uitgaven in verband met de onroerende zaak is slechts aftrekbaar naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de bedrijfsactiviteiten van de belastingplichtige. Dienovereenkomstig is ook de Nederlandse wetgeving gewijzigd per 1 januari 2011 (artikel 15(1) laatste alinea, Wet OB) en is een overgangsregeling getroffen voor bestaande gevallen. [27]
Bakcsi [28] . In zo’n geval kan de belastingplichtige het goed derhalve volledig van het btw-stelsel uitsluiten.
Pufferherhaalt het HvJ dat voor het voor het privévermogen bestemde deel geen recht op aftrek kan ontstaan, wanneer de belastingplichtige bij de verkrijging van een investeringsgoed heeft gekozen dat deel van het goed volledig in zijn privévermogen te houden. In dat geval kan volgens het HvJ voor een later gebruik voor bedrijfsdoeleinden van het deel van het goed dat in het privévermogen is gehouden, evenmin recht op aftrek ontstaan. Het recht op aftrek ontstaat immers op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. [29] Onder verwijzing naar punt 50 van de conclusie van A-G Sharpston in deze zaak, kent de gemeenschapsregeling volgens het HvJ geen herzieningsregeling in die zin. De A-G vermeldt in punt 50 (voetnoten zijn niet overgenomen):
Lennartzen
Armbrecht). Aan de uitgaande kant is de belastingplichtige in beide gevallen evenveel btw verschuldigd over de belaste handelingen. Dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een deel van het investeringsgoed dat tot het privévermogen is gerekend, maakt dit niet anders. Hooguit kan een verkoop van het investeringsgoed de uiteindelijke btw druk weer gelijk trekken. Over het gedeelte dat de belastingplichtige tot zijn privévermogen heeft gerekend, is hij immers geen btw verschuldigd (zie
Armbrecht). Of dit het geval is hangt af van de waarde die het investeringsgoed bij de verkoop heeft. Het gebruik en de veroudering van het goed kan meebrengen dat die waarde inmiddels flink is gedaald. De btw-besparing zal in dat geval niet voldoende zijn. In het tweede geval (waarbij het investeringsgoed gedeeltelijk tot het privévermogen is gerekend) is de belastingplichtige derhalve veelal slechter af, terwijl de omstandigheden - afgezien van de gemaakte keuze - feitelijk gelijk zijn. Dit lijkt in strijd te komen met de neutraliteit van de btw. Het HvJ heeft dit naar ik aanneem onder ogen gezien maar kennelijk aanvaard.
X [30] een verduidelijking op de hiervoor behandelde regels aangebracht. De oprichters van de belastingplichtige, een vof van twee natuurlijke personen, hebben in 1999 een bedrijfsloods aangeschaft die zij gebruiken voor hun economische activiteiten. Een jaar later is een gedeelte van de zolderetage van de tot het bedrijfsvermogen behorende loods geschikt gemaakt voor tijdelijke bewoning door de twee vennoten en hun kinderen. Er zijn twee dakkapellen aangebracht en voorts een portaal, een badkamer en een toilet aangelegd. Ter zake van deze werkzaamheden is btw in rekening gebracht. De zolderetage is gedurende 23 maanden in gebruik geweest als woning. Daarna is de zolder, zoals gepland, voor bedrijfsdoeleinden geschikt gemaakt als kantoor en instructieruimte. In geschil is of X recht heeft op aftrek van de btw over de kosten voor de aanpassingen. Het gaat dan met name om de dakkapellen en het portaal. Voor de andere aanpassingen staat vast dat deze mede bedrijfsdoeleinden dienden. Het HvJ overweegt dat de aanpassingen een afzonderlijk investeringsgoed vormen. Onder verwijzing naar onder meer
Lennartzherhaalt het HvJ dat (i) het recht op aftrek afhankelijk is van de vraag of het investeringsgoed is aangeschaft door een als zodanig handelende belastingplichtige, (ii) daarbij van belang is het voornemen van de belastingplichtige om het goed voor bedrijfsdoeleinden te gebruiken en (iii) de omstandigheid dat het goed in eerste instantie uitsluitend wordt gebruikt voor privédoeleinden, hieraan niet in de weg staat. Het HvJ merkt het aanvankelijke gebruik uitsluitend voor privédoeleinden gevolgd door bedrijfsmatig gebruik aan als gemengd gebruik in de zin van de hiervoor behandelde rechtspraak. De in
Lennartzgevolgde Rompelman-redenering brengt dan mee dat recht op aftrek bestaat bij volgtijdelijk gebruik van een investeringsgoed voor privédoeleinden en bedrijfsdoeleinden, indien de particulier het investeringsgoed bij de aanschaf voor zijn latere economische activiteiten bestemt (zie onderdeel 3.15 van deze conclusie). Hij moet dus bij de aanschaf al voornemens zijn het investeringsgoed te zijner tijd voor economische activiteiten te gaan gebruiken en het goed voor het bedrijf bestemmen.
Slaby e.a. [31] gaat het om de natuurlijke persoon Slaby en het echtpaar Kuć die elk een terrein hebben gekocht dat zij gebruiken voor hun landbouwbedrijf. De terreinen zijn met vrijstelling van btw gekocht zodat geen recht op aftrek bestaat. Na een wijziging van het bestemmingsplan hebben de terreinen de bestemming bouwgrond verkregen. Vervolgens hebben Slaby en het echtpaar de terreinen opgedeeld in percelen en verkocht. Wat deze uitspraak moeilijk leesbaar maakt, zijn de omstandigheden dat de nationale verwijzende rechter niet heeft vastgesteld of gebruik is gemaakt van de bevoegdheid van artikel 12, lid 1, Btw-richtlijn [32] en evenmin duidelijk uit de verf komt of de desbetreffende gronden van meet af aan tot het privévermogen zijn gerekend [33] dan wel op een later tijdstip van de (landbouw)onderneming zijn overgebracht naar privé. Ik meen dat het laatste het geval is. [34] Als ik de uitspraak goed begrijp, maakt het voor de beoordeling van het geschil niet veel uit of Polen gebruik heeft gemaakt van artikel 12, lid 1, Btw-richtlijn. Zowel bij de beoordeling of sprake is van een belastingplichtige in de zin van artikel 12, lid 1, Btw-richtlijn als bij de beoordeling of sprake is van de ‘gewone’ belastingplichtige van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn moet immers worden beoordeeld of de verkoop van de percelen niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht is. [35] De loutere uitoefening van het eigendomsrecht kan namelijk niet als een economische activiteit worden beschouwd. [36] Wanneer een persoon bij de verkoop van een terrein actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, gaan de werkzaamheden het beheer van privévermogen te boven en moet de verkoper worden aangemerkt als een belastingplichtige. [37] De verkoop van de gronden levert dan toch een economische activiteit op. Deze redenering heeft iets weg van onze nationale rechtspraak met betrekking tot het uitponden van onroerende zaken en de heffing van inkomstenbelasting. [38]
Kezić [39] ,heeft het HvJ deze lijn voortgezet. Kezić kocht zeven percelen grond. Vijf percelen heeft hij bestemd als ondernemingsvermogen en twee als privévermogen. Op de percelen heeft Kezić een winkelcentrum gebouwd. Vervolgens heeft hij het winkelcentrum verkocht en alleen met betrekking tot de vijf percelen btw in rekening gebracht. De Sloveense belastingdienst was echter van mening dat ook over de verkoop van de twee andere percelen btw verschuldigd is. Het HvJ herhaalt zijn in
Slaby e.agegeven beslissing dat moet worden beoordeeld of Kezić bij de verkoop van de percelen als belastingplichtige heeft gehandeld. De omstandigheden van het geval wijzen daar op. Het maakt volgens het HvJ kennelijk niet uit dat Kezić de twee percelen tot zijn privévermogen heeft gerekend. Het HvJ verwoordt dit als volgt (de ingevoegde voetnoot is niet opgenomen in het origineel):
Securenta [41] heeft het HvJ beslist dat de Zesde richtlijn geen regeling bevat voor de verdeling van de voldane btw naargelang kosten [42] verband houden met economische dan wel niet-economische activiteiten. De regels in de richtlijn zien alleen op een splitsing voor kosten die zien op belaste en vrijgestelde activiteiten. De btw over de kosten is slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige in de zin van artikel 2(1) van deze richtlijn. Aangezien de richtlijn geen regeling kent, is het aan de lidstaten om methoden en criteria vast te stellen voor de verdeling van de betaalde voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten. Het HvJ heeft in
MVM [43] bevestigd dat dit ook geldt voor de Btw-richtlijn.
VNLTO [44] gaat het om een vereniging die de belangen behartigt van ondernemers in de agrarische sector. Daarnaast verricht zij enkele individuele diensten aan leden en derden, waarvoor zij een vergoeding in rekening brengt. VNLTO heeft niet-investeringsgoederen en diensten aangeschaft die zij zowel voor de aan btw onderworpen activiteiten als voor de niet-economische activiteiten gebruikt. De Hoge Raad vraagt zich af of VNLTO het recht heeft om de niet-investeringsgoederen en diensten volledig voor haar onderneming te bestemmen en de ter zake van de aanschaf verschuldigde btw volledig in aftrek te brengen, ook als deze goederen en diensten worden gebruikt voor zowel bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de btw-regels die gelden voor investeringsgoederen voor gemengd gebruik door een particulier, dat wil zeggen bedrijfsmatig gebruik en privégebruik, ook hebben te gelden voor “een rechtspersoon die als belastingplichtige mede activiteiten verricht die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen”. Het HvJ laat echter in het midden of dat laatste juist is en geeft ook niet direct een antwoord op de gestelde vraag. Wel maakt het HvJ duidelijk dat de niet-economische activiteiten van VNLTO (de algemene belangenbehartiging [45] ) niet kunnen worden beschouwd als handelingen voor andere dan bedrijfsdoeleinden in de zin van artikel 6(2)a Zesde richtlijn. VNLTO heeft slechts recht op aftrek voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste activiteiten.
Securentavolgt reeds dat voor zover kosten voor de niet-economische activiteiten van een belastingplichtige worden gemaakt, geen recht op aftrek bestaat. Voor deze gemengde kosten kan dus nooit een volledig recht op aftrek ontstaan, gevolgd door een heffing voor het gebruik voor de niet-economische activiteiten. Ook A-G Mengozzi komt in zijn conclusie bij
VNLTOtot deze uitkomst (zie punt 47 en verder) [46] . Ik verwijs in dit verband ook naar punt 38 van het arrest waar het HvJ overweegt dat de regeling van artikel 6(2)a Zesde richtlijn niet erop is gericht buiten de werkingssfeer van de btw vallende handelingen toch in de heffing te betrekken.
Waterschap Zeeuws Vlaanderen [47] gaat het om een waterschap dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie heeft laten bouwen. Aangezien zij de installatie heeft gebouwd ter uitvoering van haar taak als overheid, heeft zij de daarbij in rekening gebrachte btw niet in aftrek gebracht. Enkele jaren later heeft zij de installatie verkocht aan een stichting en daarbij geopteerd voor een belaste levering. Vervolgens heeft het waterschap verzocht om herziening van de btw die bij de bouw van de installatie in rekening is gebracht. Het HvJ brengt
Lennartzin herinnering: enkel degene die belastingplichtige is en die als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed aanschaft, heeft voor dat goed recht op aftrek en mag de verschuldigde of voldane btw over dat goed aftrekken indien hij het voor zijn belaste handelingen gebruikt. Het HvJ overweegt dat deze redenering eveneens heeft te gelden voor een publiekrechtelijk lichaam dat op het tijdstip van de aankoop van een investeringsgoed als overheid handelt. Net als een particulier die een goed voor privédoeleinden heeft aangeschaft, heeft een publiekrechtelijk lichaam dat als overheid handelt, geen recht op aftrek van de btw. Wanneer dit lichaam nadien als belastingplichtige handelt, heeft dit niet tot gevolg dat de btw aftrekbaar wordt. De in de richtlijn voorziene mogelijkheid tot herziening van de aftrek kan geen recht op aftrek doen ontstaan. De Hoge Raad had het HvJ ook de vraag gesteld of een publiekrechtelijk lichaam het recht heeft een investeringsgoed dat deels voor handelingen als belastingplichtige en deels voor overheidshandelingen wordt gebruikt, geheel buiten het ondernemingsvermogen te laten, zoals door het Hof van Justitie is beslist ten aanzien van belastingplichtige natuurlijke personen. Het HvJ komt aan de beantwoording van deze vraag niet toe. Zoals gezegd is evenmin met het latere arrest
VNLTOduidelijk geworden hoe het antwoord op deze vraag luidt.
Gemeente ’s-Hertogenbosch [48] geeft het HvJ duidelijkheid. Uit dat arrest volgt dat belastingplichtigen die zowel economische als niet-economische activiteiten verrichten niet een recht hebben om investeringsgoederen voor gemengd gebruik te bestemmen. Het HvJ overweegt in dit verband in punt 25 van
Gemeente ’s‑Hertogenbosch:
In het arrest Vereniging Noordelijke Land‑ en Tuinbouw Organisatie (hierna: „arrest VNLTO”) kwam het oordeel van het Hof in wezen erop neer dat de beginselen die betrekking hebben op de keuze om investeringsgoederen te bestemmen voor bedrijfs‑ of privédoeleinden (dat wil zeggen, om de goederen te gebruiken als belastingplichtige dan wel als particulier persoon) niet konden worden getransponeerd naar de situatie waarin een belastingplichtige zowel economische activiteiten verricht die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, als niet-economische activiteiten, die daarbuiten vallen.De artikelen 6, lid 2, sub a, en 17, lid 2, van de Zesde richtlijn werden dan ook niet toepasselijk geacht op het gebruik van goederen en diensten die voor de onderneming worden bestemd voor het verrichten van andere handelingen dan belaste handelingen van de belastingplichtige, en de over de aanschaf van die goederen en diensten verschuldigde btw werd, voor zover het dergelijke handelingen betreft, als niet aftrekbaar beschouwd.”
Securenta).
Gmina Międzyzdroje [51] . Het HvJ heeft deze zaak bij beschikking afgedaan. Dit impliceert dat het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vraag duidelijk volgt uit de rechtspraak of dat over het antwoord op de vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. [52]
Lennartzen
Waterschap Zeeuws Vlaanderen, waarin het HvJ oordeelde dat de bepalingen over de herziening geen recht op aftrek kunnen doen ontstaan. Ik meen dat deze beslissingen elkaar toch niet bijten. In mijn visie moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) het bestaan/ontstaan van aftrekrecht, dat alleen afhankelijk is van de hoedanigheid van de belastingplichtige en (ii) het gebruik dat al dan niet recht geeft op aftrek. Ik kom hier later nog op terug.
Gmina Ryjewo [53] . Opnieuw gaat het om een Poolse gemeente. Deze gemeente heeft een dorpshuis laten bouwen. Bij de bouw zijn aan haar goederen en diensten geleverd waarover btw is betaald. In 2010 is de bouw van het dorpshuis voltooid en heeft de gemeente - ik citeer uit het arrest - het beheer ervan om niet overgedragen aan het gemeentelijk cultureel centrum. In de loop van 2014 heeft de gemeente haar voornemen geuit om dit onroerend goed - ik citeer nog steeds - in eigendom over te nemen en het rechtstreeks te beheren. Deze vaststellingen van het HvJ wekken weer enige verwarring. Wat bedoelt het HvJ hier nu precies? In de conclusie van A-G Kokott is vermeld dat de gemeente het dorpshuis aanvankelijk voor overheidsdoeleinden heeft gebruikt. [54] In andere taalversies van het arrest is vermeld:
ookvoor belastbare handelingen te gebruiken. Bij de herformulering van de prejudiciële vraag gaat het HvJ ervan uit dat de gemeente het dorpshuis in eerste instantie voor niet-belaste handelingen heeft gebruikt (punt 27 van het arrest). Wanneer met betrekking tot de prejudiciële vraag en herformulering naar andere taalversies wordt gekeken, kom ik tot de slotsom dat het HvJ niet consequent is met het gebruik van de begrippen belastbare of belaste handelingen. [55]
om nietvoor gemeenschapsdoeleinden gebruiken, als onder bezwarende titel door het belast te verhuren voor commerciële doeleinden. Dit is een bevestiging van het feit dat het ter beschikking stellen voor gemeenschapsdoeleinden aanvankelijk ook zonder vergoeding plaatsvond; niet-economische handelingen derhalve. In verband met deze wijziging in het gebruik komt de vraag op of de gemeente recht heeft op herziening van de btw die bij bouw in rekening is gebracht. De hoogste Poolse bestuursrechter heeft hierover prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ. De twijfels van deze rechter zijn gerezen door de hiervoor besproken beschikking
Gmina Międzyzdroje.
Lennartzen
Waterschap Zeeuws Vlaanderen, zou daarom volgens de A-G moeten worden bijgesteld. Het HvJ heeft deze uitlegging van de richtlijn echter niet overgenomen.
Gmina Międzyzdroje, waar wordt verwezen naar
Uudenkaupungin kaupunki. Daaruit volgt dat herziening van de aftrek mogelijk is, wanneer een investeringsgoed eerst wordt bestemd voor gebruik waarvoor geen recht op aftrek bestaat en vervolgens voor een gebruik dat wel recht op aftrek geeft. Onder ‘gebruik waarvoor geen recht op aftrek bestaat’ moet in mijn optiek niet alleen worden verstaan gebruik voor vrijgestelde handelingen, maar ook gebruik voor niet-economische activiteiten. Ik vind bevestiging voor dit standpunt in
Gmina Ryjewo, dat over volgtijdelijk gebruik voor een niet-economische en economische activiteit gaat en, zo die uitleg van de relevante feiten van dit arrest niet juist blijkt te zijn, in
Securentaen
MVM.
Gmina Ryjewomaak ik op dat om te bepalen of als belastingplichtige is gehandeld een aantal aspecten van belang is: [57]
Gmina Ryjewovolgt, is het voor de vraag of belanghebbende recht heeft op herziening van belang vast te stellen dat zij de gymzalen heeft verworven als belastingplichtige. Daarbij moet een beoordeling plaatsvinden van de aspecten die ik hiervoor in onderdeel 3.44 heb genoemd.
Gmina Ryjewowaaruit ik opmaak dat de bestemming voor gedeeltelijk gebruik voor economische doeleinden voldoende is.