Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 februari 2019.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2018, waarin de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz is bevestigd. De zaak betreft de toepassing van artikel 27 Wet Pro Bopz en de doorbrekingsgrond van artikel 29 lid 5 Wet Pro Bopz, met name in het kader van een alcoholverslaving.
De Hoge Raad verwijst naar de beschikking van de rechtbank voor het feitelijke verloop van de procedure en het oordeel in eerste aanleg. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, terwijl de advocaat-generaal heeft geadviseerd het beroep te verwerpen. De klachten in het cassatiemiddel zijn niet ontvankelijk en behoeven geen nadere motivering, omdat zij niet leiden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft het beroep van betrokkene verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Polak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt bevestigd.