ECLI:NL:PHR:2018:1474
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting inbewaringstelling bij alcoholverslaving volgens Wet Bopz
Betrokkene werd op 10 augustus 2018 inbewaring gesteld door de burgemeester van Purmerend op grond van de Wet Bopz. De officier van justitie verzocht de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling. De rechtbank verleende deze machtiging na een mondelinge behandeling waarbij betrokkene, haar advocaat, echtgenoot, psychiater, arts-assistent en persoonlijk begeleider werden gehoord. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep ontvankelijk was ondanks het rechtsmiddelenverbod in art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz, omdat het beroep klaagde over de toepassing van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid. De kern van het geschil betrof de vraag of een alcoholverslaving kan worden aangemerkt als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz, waarbij de maatstaf van het arrest HR 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU0372) leidend is.
De rechtbank had deze maatstaf correct toegepast en geoordeeld dat betrokkene aan deze maatstaf voldeed, omdat sprake was van een ernstige stoornis door alcoholverslaving die gevaar veroorzaakte en het functioneren ernstig beïnvloedde. De Hoge Raad vond de motivering begrijpelijk en voldoende onderbouwd, mede gelet op de geneeskundige verklaring van de psychiater en de omstandigheden zoals herhaaldelijke onderkoeling van betrokkene.
Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De beschikking tot voortzetting van de inbewaringstelling blijft in stand, waarmee betrokkene terecht van haar vrijheid is beroofd volgens de geldende wettelijke maatstaven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling blijft in stand.