ECLI:NL:PHR:2018:1474

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2018
Publicatiedatum
1 februari 2019
Zaaknummer
18/04611
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 1 Wet BopzArt. 21 Wet BopzArt. 27 Wet BopzArt. 29 lid 3 Wet BopzArt. 29 lid 5 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting inbewaringstelling bij alcoholverslaving volgens Wet Bopz

Betrokkene werd op 10 augustus 2018 inbewaring gesteld door de burgemeester van Purmerend op grond van de Wet Bopz. De officier van justitie verzocht de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling. De rechtbank verleende deze machtiging na een mondelinge behandeling waarbij betrokkene, haar advocaat, echtgenoot, psychiater, arts-assistent en persoonlijk begeleider werden gehoord. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep ontvankelijk was ondanks het rechtsmiddelenverbod in art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz, omdat het beroep klaagde over de toepassing van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid. De kern van het geschil betrof de vraag of een alcoholverslaving kan worden aangemerkt als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz, waarbij de maatstaf van het arrest HR 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU0372) leidend is.

De rechtbank had deze maatstaf correct toegepast en geoordeeld dat betrokkene aan deze maatstaf voldeed, omdat sprake was van een ernstige stoornis door alcoholverslaving die gevaar veroorzaakte en het functioneren ernstig beïnvloedde. De Hoge Raad vond de motivering begrijpelijk en voldoende onderbouwd, mede gelet op de geneeskundige verklaring van de psychiater en de omstandigheden zoals herhaaldelijke onderkoeling van betrokkene.

Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De beschikking tot voortzetting van de inbewaringstelling blijft in stand, waarmee betrokkene terecht van haar vrijheid is beroofd volgens de geldende wettelijke maatstaven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling blijft in stand.

Conclusie

Zaaknr: 18/04611 mr. M.L.C.C. Lückers
Zitting: 4 december 2018 Conclusie inzake:
[betrokkene]
(hierna: betrokkene),
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze Bopz-zaak is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking waarbij een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend. De vraag rijst allereerst of sprake is van een grond voor doorbreking van het voor deze categorie beslissingen geldende rechtsmiddelenverbod. Ten gronde wordt geklaagd dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de in HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372 geformuleerde maatstaf (de vraag onder welke voorwaarden een alcoholverslaving kan worden beschouwd als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz), waardoor betrokkene ten onrechte van haar vrijheid is beroofd.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij beschikking van 10 augustus 2018 heeft de burgemeester van de gemeente Purmerend ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 lid 1 Wet Pro Bopz.
1.2
Bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 13 augustus 2018, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Pro Bopz).
1.3
Op 16 augustus 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, haar advocaat, haar echtgenoot, de psychiater [betrokkene 1], de arts-assistent [betrokkene 2] en de persoonlijk begeleider [betrokkene 3]. De rechtbank heeft op diezelfde dag ter zitting mondeling uitspraak gedaan en de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 6 september 2018. De beslissing is op 23 augustus 2018 schriftelijk uitgewerkt in een beschikking.
1.4
Namens betrokkene is op 2 november 2018 - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep [1]
2.1
Ik stel voorop dat de omstandigheid dat de geldigheidsduur van de verleende machtiging inmiddels is verstreken, geen beletsel is voor de ontvankelijkheid van het beroep. [2]
2.2
Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz staat tegen de beschikking op een verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen cassatieberoep of ander gewoon rechtsmiddel open. Volgens vaste rechtspraak kan een rechtsmiddelenverbod worden doorbroken indien in cassatie erover wordt geklaagd dat de rechter in de vorige instantie de regeling waarop dit verbod betrekking heeft ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte heeft toegepast (dan wel buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden) of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Wat betreft deze laatste doorbrekingsgrond is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals bij schending van het beginsel van hoor en wederhoor. [3] De klacht dat de beschikking niet of niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, is niet voldoende voor een doorbreking. [4]
2.3
Daarnaast kan het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz volgens vaste rechtspraak ook worden doorbroken indien het cassatiemiddel klaagt over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. [5] Als een zodanige waarborg is door de Hoge Raad aangemerkt dat de betrokkene persoonlijk is onderzocht door een specialist (psychiater), die niet bij de behandeling is betrokken. [6] Ook de wettelijke termijn waarbinnen de officier van justitie om voortzetting van de inbewaringstelling kan verzoeken is volgens de Hoge Raad een essentiële waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming. [7] Daarentegen heeft de Hoge Raad recent geoordeeld dat een klacht over schending van het voorschrift van art. 30p lid 1 Rv dat de rechter mondeling uitspraak kan doen indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, géén betrekking heeft op een essentiële waarborg. Het betrof een geval waarin de rechtbank mondeling uitspraak had gedaan buiten aanwezigheid van de officier van justitie. De Hoge Raad overwoog dat de enkele klacht dat een wettelijke regel niet in acht is genomen onvoldoende is voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod en dat dit in beginsel ook geldt indien het gaat om vrijheidsbeneming en het (dus) een regel betreft die onderdeel is van een wettelijk voorgeschreven procedure als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM Pro. [8]
2.4
In een zaak waarin Uw Raad recent een beschikking heeft gegeven, had de rechtbank de door de officier van justitie verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend zonder te beslissen op het verzoek om een second opinion dat de advocaat van de betrokkene ter zitting had gedaan. In cassatie werd geklaagd dat de rechtbank aldus art. 29 Wet Pro Bopz en art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM had geschonden, dan wel haar beslissing onvoldoende (begrijpelijk) had gemotiveerd. Uw Raad overwoog dat de gestelde doorbrekingsgrond zich in een dergelijk geval niet voordoet: [9]
“3.3 (…) De onderhavige procedure betreft een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene. Het gaat hier om een spoedmaatregel met een korte duur (art. 30 Wet Pro Bopz) en een zeer korte beslistermijn voor de rechter (art. 29 lid 3 Wet Pro Bopz). Kennelijk in verband hiermee heeft de wetgever alleen de eerste volzin van art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz op deze procedure van toepassing verklaard (art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz). Dit brengt mee dat het bevelen van nadere onderzoeken in deze spoedprocedure is overgelaten aan het beleid van de rechter, en dat hij daarbij verzoeken van de betrokkene - ook ongemotiveerd - naast zich neer kan leggen. De wet voorziet er dus in dat in zo’n geval een betrokkene van zijn vrijheid wordt beroofd zonder aanspraak op een second opinion. In deze bijzondere procedure levert dat evenmin schending op van art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM. Het EVRM geeft een patiënt immers niet zonder meer aanspraak op een tweede deskundigenonderzoek (vgl. onder meer EHRM 27 april 2000, nrs. 47457/99 en 47458/99), en het wettelijk vereiste dat de patiënt persoonlijk is onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater (art. 27 lid 2 in Pro verbinding met art. 21 Wet Pro Bopz) geeft reeds een waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming.”
In deze zaak werd de betrokkene wel ontvankelijk geoordeeld in zijn cassatieberoep. Uw Raad bevestigde in dat verband zijn rechtspraak dat, indien in cassatie wordt geklaagd over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, de betrokkene in kwestie ontvankelijk in zijn cassatieberoep (rov. 3.2).
2.5
Het middel klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken “dat het ernstige vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een stoornis in het gebruik van alcohol, en dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken”, een onjuist criterium heeft toegepast. Het middel voegt daaraan toe dat betrokkene “daardoor - mede gelet op art. 5 lid 1 aanhef Pro en onder e jo. art. 5 lid 4 EVRM Pro ten onrechte van haar vrijheid is beroofd in het kader van een voortzetting van de inbewaringstelling”. Nu het middel klaagt over een essentiële waarborg voor het grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd, in die zin dat er geen sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz, is betrokkene ontvankelijk in haar cassatieberoep.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel klaagt dat de hiervoor in 2.5 weergegeven overweging in strijd is met hetgeen is overwogen in HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate. In de zaak die tot deze beschikking heeft geleid werd in cassatie aan de orde gesteld de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden een alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol kan worden beschouwd als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz. Uw Raad overwoog in dat verband dat:
“3.3.5 (…) alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. (…)”
3.2
Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat de rechtbank in de tweede alinea onder het kopje “Beoordeling” de maatstaf van de beschikking van 23 september 2005 tot uitgangspunt neemt. De rechtbank verwijst namelijk naar die beschikking en citeert de daarin weergegeven maatstaf. De rechtbank overweegt aan het begin van de derde alinea dat zij “constateert dat aan genoemd criterium is voldaan” en werkt dit vervolgens als volgt uit:
“(…) Bij de artsen bestaat de overtuiging dat betrokkene lijdt aan een alcoholverslaving. Ten tijde van de opname die ten grondslag heeft gelegen aan de inbewaringstelling, een opname nadat betrokkene onderkoeld was aangetroffen, was het gemeten alcoholpromillage aanmerkelijk hoger dan kan worden verklaard door de vier glazen wijn die betrokkene zegt te hebben genuttigd. De arts-assistent heeft hierop aangevuld dat betrokkene behoorlijke leverschade heeft. Er lijkt al langdurig sprake te zijn van een patroon dat het functioneren van betrokkene in de weg staat en zo spoedig mogelijk dient te worden verbroken. Het feit dat Brijder verslavingszorg betrokken is, sluit hierbij aan. Deze verslaving maakt dat betrokkene in gevaarlijke situaties terechtkomt. Betrokkene loopt door haar gezondheidsklachten een groot risico om in levensgevaar te raken door het (overmatige) gebruik van alcohol, daarnaast kan betrokkene ook op sociaal vlak in gevaar raken. Zo heeft betrokkene aangegeven te zijn verhuisd vanwege conflicten met de buren, regelmatig ruzie te hebben met haar echtgenoot en sinds haar verhuizing in juni 2018, naar eigen zeggen slechts drie, enorme conflicten te hebben gehad. Betrokkene heeft verklaard wederom te willen verhuizen. Ook spelen er allerlei juridische procedures, omdat meerdere instanties foutieve informatie over betrokkene en haar echtgenoot zouden hebben verstrekt. Deze juridische procedures hebben gemaakt dat betrokkene en haar echtgenoot financiële problematiek kennen. Daarnaast is betrokkene meermalen onderkoeld aangetroffen waarna zij moest worden opgenomen in het ziekenhuis. (…)”
3.3
Het middel komt tegen deze overwegingen niet op. Nu de overwegingen dienen ter onderbouwing van de eerdere conclusie dat aan de in de beschikking van 23 september 2005 geformuleerde maatstaf is voldaan, kan het middel reeds om die reden niet tot cassatie leiden. Aan het slot van de derde alinea onder het kopje “Beoordeling” overweegt de rechtbank dat “uit de geneeskundige verklaring en het verhoor derhalve is gebleken dat het ernstige vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een stoornis in het gebruik van alcohol, en dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken”. Weliswaar citeert de rechtbank in deze slotzin niet nogmaals letterlijk het in de beschikking van 23 september 2005 geformuleerde criterium, in het licht van het feit dat de rechtbank genoemde maatstaf eerder integraal heeft weergegeven, gecombineerd met de hiervoor in 3.2 weergegeven uitwerking die in cassatie niet wordt bestreden, hoefde dat ook niet. Uit het geheel blijkt genoegzaam dat de rechtbank van oordeel is dat in de onderhavige zaak aan genoemde maatstaf is voldaan. Op goede gronden kan derhalve worden betoogd dat de klacht feitelijke grondslag mist in de bestreden beschikking.
3.4
Ten overvloede merk ik op dat het oordeel ook niet onbegrijpelijk is in het licht van de door psychiater [betrokkene 1] opgestelde geneeskundige verklaring. In rubriek 4.a van die verklaring (“Op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten bestaat bij u het ernstig vermoeden dat betrokkene lijdt aan een stoornis van geestvermogens?”) schrijft hij: “Voortdurende intoxicatie met alcohol, stoornis in alcoholgebruik, zelfverwaarlozing, onderkoeling, zorgmijding”. Uit de woorden ‘voortdurende intoxicatie’ kan genoegzaam worden afgeleid dat betrokkene afhankelijk is van alcohol. Psychiater [betrokkene 1] heeft zowel in de geneeskundige verklaring als ter zitting (proces-verbaal, blz. 1) verklaard dat betrokkene herhaaldelijk onderkoeld is gevonden. Dit aspect heeft niet alleen betrekking op (een aspect van) het geconstateerde gevaar, maar kan naar mijn mening ook de in de beschikking van 23 september 2005 weergegeven maatstaf nader invullen. Indien een betrokkene met regelmaat onderkoeld in de buitenlucht wordt aangetroffen, dan vormt dit een sterke aanwijzing voor het kunnen concluderen dat het voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen door de alcoholverslaving zo ingrijpend worden beïnvloed, dat die betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
3.5
In het licht van het bovenstaande kan het middel niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het juridisch kader is ontleend aan de Conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1293) vóór de recente beschikking van Uw Raad van 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2104.
2.HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.
3.HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242 m.nt. L. Wichers Hoeth en W.H. Heemskerk.
4.HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701, NJ 1989/4 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC107, NJ 1993/758 en HR 23 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1773, NJ 1995/661.
5.Zie recent HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2104, onder verwijzing naar HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607 m.nt. J. Legemaate.
6.HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1753, JVGGZ 2015/22.
7.HR 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:997, NJ 2016/268.
8.HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:684, RvdW 2018/593.
9.HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2104.