Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2017, waarin een bezwaarschrift tegen een dagvaarding wegens valselijk opmaken en gebruik maken van een brief met betrekking tot arbeids- en rusttijden van buitenlandse werknemers bij de aanleg van een tunnel werd behandeld.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en heeft het beroep verworpen.
De behandeling en uitspraak van het bezwaarschrift hebben in openbaar plaatsgevonden, conform de vereisten van artikel 22.1 en 24.1 van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2019:1410).
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 1 oktober 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.