ECLI:NL:HR:2019:144

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2019
Publicatiedatum
31 januari 2019
Zaaknummer
18/02581
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 7:28 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vergoeding proceskosten bezwaar en beroep bij intrekking beroep

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en verzocht om vergoeding van proceskosten. Na handhaving van de aanslag in bezwaar stelde belanghebbende beroep in met een verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand. De heffingsambtenaar kwam alsnog geheel aan de bezwaren tegemoet, waarna belanghebbende het beroep introk en opnieuw om proceskostenvergoeding verzocht.

De Rechtbank verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten in de beroepsfase, maar wees vergoeding van kosten in de bezwaarfase af omdat daarover niet expliciet was verzocht bij intrekking van het beroep. In verzet werd dit oordeel bevestigd.

De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg onjuist is. Uit de algemene verzoeken om vergoeding van proceskosten in bezwaar, beroep en bij intrekking van het beroep volgt dat ook de kosten van de bezwaarfase zijn bedoeld. De Hoge Raad vernietigt het vonnis, verklaart het verzet gegrond en veroordeelt het college en de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierechten en proceskosten voor bezwaar, beroep en verzet.

De zaak wordt om proceseconomische redenen zelf afgedaan, waarbij de vergoeding wordt vastgesteld op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar. Hiermee wordt bevestigd dat proceskosten in bezwaar en beroep samen vergoed dienen te worden, ook bij intrekking van het beroep na tegemoetkoming in bezwaar.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt het college en de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep zonder expliciet verzoek bij intrekking van het beroep.

Uitspraak

1 februari 2019
Nr. 18/02581
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Amsterdamvan 31 mei 2018, nr. AMS 17/5961 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.1.2.
Nadat belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep had ingesteld, met een verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, is de heffingsambtenaar alsnog geheel aan belanghebbendes bezwaren tegemoetgekomen. Daarop heeft belanghebbende bij brief van 5 december 2017 het beroep ingetrokken en wederom verzocht om een vergoeding van proceskosten.
2.1.3.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 maart 2018 het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de heffingsambtenaar met toepassing van artikel 8:75a Awb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
2.1.4.
In verzet heeft belanghebbende betoogd dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
2.1.5.
De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat een verzoek om vergoeding van proceskosten volgens de artikelen 8:75a en 8:75 Awb betrekking heeft op de beroepsfase, zodat bij aanspraak op een vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten op grond van de artikelen 7:15 en 7:28 Awb expliciet om vergoeding van die kosten moetworden gevraagd. Daarom had belanghebbende gelijktijdig met de intrekking van het beroep uitdrukkelijk moeten vragen om de hoogte van de proceskosten in de bezwaarfase vast te stellen
,en is hem terecht alleen een kostenvergoeding voor het beroep toegekend, aldus de Rechtbank
.
2.2.1.
In cassatie komt belanghebbende tegen dit oordeel op met de stelling dat uit de wettelijke bepalingen niet valt af te leiden dat bij intrekking van een beroep expliciet moet worden verzocht de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van zowel de bezwaar- als de beroepsfase.
2.2.2.
Deze klacht treft doel. De hiervoor genoemde betekenis die de Rechtbank heeft toegekend aan de artikelen 8:75a en 8:75 Awb in samenhang met de artikelen 7:15 en 7:28 Awb voor het geval een beroep wordt ingetrokken nadat aan de door de belanghebbende gemaakte bezwaren alsnog is tegemoetgekomen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de omstandigheid dat belanghebbende in bezwaar, bij het instellen van beroep en bij het intrekken van dat beroep telkens in algemene bewoordingen heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, kon de Rechtbank niets anders afleiden dan dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten mede betrekking heeft op de in bezwaar gemaakte kosten.
2.2.3.
De Hoge Raad zal de zaak met toepassing van artikel 29e AWR en om proceseconomische redenen afdoen. Uit de stukken van het geding blijkt dat de door belanghebbende verzochte vergoeding voor de proceskosten moet worden vastgesteld op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar.

3.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en van het verzet.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op verzet,
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 maart 2018 gegrond,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126 en gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 46,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar, beroep en verzet aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.265.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.