Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld wegens afdreiging op grond van artikel 318, eerste lid, Sr. Verdachte bedreigde het slachtoffer met openbaring aan diens echtgenote dat hij een prostituee wilde bezoeken, teneinde geld af te dwingen.
Het centrale juridische vraagstuk was of bedreiging met openbaring van een geheim ook kan bestaan wanneer het geheim slechts aan één persoon wordt bekendgemaakt, in plaats van aan meerdere personen of het algemene publiek. De verdediging stelde dat openbaring pas zou gelden bij bekendmaking aan meer dan één persoon, wat volgens de Hoge Raad onjuist is.
De Hoge Raad herhaalde de eerdere jurisprudentie uit 1931 (NJ 1932, p. 430) waarin werd bepaald dat onder openbaring ook valt het bekendmaken van een geheim aan de persoon of personen voor wie het geheim verborgen moet blijven. Dit betekent dat bedreiging met openbaring aan slechts één persoon voldoende is om te kwalificeren als bedreiging met openbaring van een geheim.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat sprake was van afdreiging door bedreiging met openbaring van een geheim. De bewezenverklaring en het bewijs, waaronder de aangifte en verklaringen van het slachtoffer, werden door de Hoge Raad niet betwist. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 8 oktober 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; bedreiging met openbaring van een geheim kan ook aan één persoon gericht zijn.