Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant inzake een klaagschrift van een klaagster over beslaglegging op goederen die gebruikt konden worden bij het opzetten van een hennepkwekerij. De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de strafvordering zich niet verhinderde tegen teruggave van de goederen, ondanks dat de goederen niet onder de klaagster als (onder)huurder maar onder een hoofdhuurder van diverse bedrijfspanden waren genomen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. Het middel dat het Openbaar Ministerie aanvoerde, kon niet tot cassatie leiden omdat het niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt. De Hoge Raad achtte het toetsingskader van de rechtbank niet onjuist en vond geen reden om het oordeel dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzet te herzien.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De zaak betreft een juridische beoordeling van beslaglegging in het kader van strafrechtelijke procedures rondom hennepkwekerijen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het beslag op de goederen.