ECLI:NL:HR:2019:1510
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hof een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn had vastgesteld. De Hoge Raad beoordeelde het middel dat zich richtte op de toepassing van de redelijke termijn en de verknochtheid van zaken zoals bedoeld in eerdere arresten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de redelijke termijn niet correct had toegepast en dat de vergoeding voor immateriële schade moest worden verhoogd. De Hoge Raad stelde de vergoeding vast op in totaal €2.000, verdeeld over €222 te vergoeden door de Inspecteur en €1.778 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Staat in de proceskosten van het cassatieberoep en droeg zij op om aan belanghebbende de helft van het griffierecht te vergoeden. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 4 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €2.000 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris in proceskosten.