Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
2018
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur) en
Staat der Nederlanden(de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wees dit verzoek af, mede vanwege het geringe financiële belang en het no cure no pay karakter van de rechtsbijstand.
In hoger beroep heeft het Hof de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld en bijzondere omstandigheden erkend vanwege het grote aantal soortgelijke zaken die door de gemachtigde van belanghebbende werden gevoerd. Hierdoor verlengde het Hof de redelijke termijn met zes maanden, waardoor de overschrijding in bezwaar en beroep circa 13 maanden bedroeg.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €1.500 voor immateriële schade en veroordeelde de Staat tot betaling daarvan inclusief wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank. Daarnaast wees het Hof een proceskostenvergoeding van €150 toe en vergoedde het het betaalde griffierecht van €124. De Staat werd veroordeeld tot deze betalingen, waarbij het Hof de eerdere afwijzing van de rechtbank inzake vergoeding van immateriële schade en proceskosten verwierp.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.500 immateriële schade, wettelijke rente, proceskosten van €150 en het griffierecht van €124.