Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene centraal, die betrokken was bij de verkoop van cocaïne. De betrokkene had cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag waarin een betalingsverplichting was opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vermindering van het bedrag naar een gebruikelijke maatstaf en verwerping van het beroep voor het overige.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat aanleiding gaf tot vermindering van de betalingsverplichting. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van het bedrag betrof en stelde het te betalen bedrag vast op € 477.884,-.
De overige onderdelen van het beroep werden verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 8 oktober 2019.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot € 477.884,- wegens termijnoverschrijding.