Conclusie
Nummer17/02951
derde middel, dat klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting van 25 november 2016 aan nietigheid lijdt, nu de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken van het geding bevindt.
Pleitaantekeningen”, “
[betrokkene]” en het nummer “
22-004918-15". Alhoewel dit document geen datum of instantie vermeldt, komt het genoemde nummer op dit document overeen met het rolnummer van de zaak in hoger beroep. [2] Derhalve mag worden aangenomen dat dit document pleitaantekeningen bevat die betrekking hebben op de procedure in hoger beroep.
ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2016is overgelegd. In dat geval kan immers aan de hand van dit document toch worden afgeleid wat de verdediging op die terechtzitting heeft aangevoerd.
ditdocument is overgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2017.
eerste middelklaagt over de motivering van de afwijzing van (1) het verzoek tot het horen van een aantal getuigen en (2) het verzoek tot het verstrekken aan de verdediging van een gegevensdrager met daarop geregistreerde tapgesprekken.
[betrokkene 1] ,
De verdediging handhaaft haar eerdere conclusie en het verzoek om de eerder genoemde getuigen te doen horen.
Niet alle 25 gesprekken op een dag leidden uiteraard tot een transactie. In voorkomende gevallen vonden meerdere (korte) gesprekken plaats ten behoeve van één transactie of vonden de gesprekken überhaupt niet plaats in het kader van een mogelijke transactie, maar bijvoorbeeld voor een privé-afspraak.
berekening de eerste periode van 608 dagen, waarin de veroordeelde zonder [betrokkene 1] heeft gehandeld, splitsen in twee periodes en in totaal uitgaan van drie periodes. De eerste periode is een periode van 200 dagen waarin 15 transacties per dag als uitgangspunt wordt genomen. De tweede en derde periode betreffen 408 respectievelijk 473 dagen waarbij overeenkomstig de rechtbank wordt uitgegaan van 49 transacties per dag.
waaromniet van de juistheid van het ontnemingsrapport en de betrouwbaarheid van de daarin genoemde verkoopgemiddelden kan worden uitgegaan. De verdediging heeft op dit punt verweer gevoerd op de terechtzitting van 17 mei 2017 (de inhoudelijke behandeling van de zaak), maar bij die gelegenheid haar verzoek tot het horen van getuigen niet herhaald. Het hof heeft het verzoek bij arrest afgewezen op de grond dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd, en dit gelet op de omstandigheid dat deze getuigen reeds bij de politie hebben verklaard over de (gemiddelde) hoeveelheid cocaïne die zij van de betrokkene hebben gekocht, terwijl het aantal afspraken per dag (mede) volgt uit de tapgesprekken tussen hen en de betrokkene. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek om getuigen te horen, acht ik de afwijzing van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
tweede middel, in samenhang met de toelichting bezien, klaagt over de motivering van de verwerping van de verweren dat (1) de betrokkene niet alle dagen van de vastgestelde periode heeft gehandeld in cocaïne en (2) de betrokkene tevens meermalen in het buitenland (op vakantie) is geweest, meer dan alleen voor een periode van vier maanden waarin de betrokkene in Turkije verbleef.