Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Tegen dit vonnis stelde de betrokkene cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de betalingsverplichting, en stelde voor het bedrag te verminderen tot een gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, aangezien geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de betalingsverplichting verminderd moest worden.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden vonnis slechts voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde het bedrag vast op €16.521,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd het vonnis van het hof in stand gelaten, met een aangepaste betalingsverplichting.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot €16.521,-, beroep voor het overige verworpen.