Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
2 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 augustus 2017, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en het telen van hennep in een woning. De verdachte stelde meerdere middelen van cassatie voor, waaronder een bewijsklacht over het daderschap, de aanwezigheid van de verdachte in de woning, de afwijzing van een voorwaardelijk getuigenverzoek en de vordering van de benadeelde partij en de huiseigenaar.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.