Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake poging doodslag door het steken met een mes in het trappenhuis van een flat.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer of verdachte opzet had om het slachtoffer te doden en oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden.
Hierdoor werd besloten de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar te verminderen tot vier jaar en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 8 oktober 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar naar vier jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.