ECLI:NL:PHR:2024:1032

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
22/03930
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling poging tot doodslag ondanks betwisting bewijs en opzet

Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op 11 januari 2020 in Kampen. Het hof baseerde zijn oordeel op onder meer DNA-sporen op het mes, getuigenverklaringen, forensisch onderzoek en zendmastgegevens van telefoons.

De verdediging voerde in cassatie aan dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig was en dat het hof het opzet op de dood van het slachtoffer niet uit de bewijsvoering kon afleiden. De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het hof had terecht geoordeeld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard, gelet op de aard en diepte van de steekwonden en het feit dat het mes het longgebied had geraakt.

De Hoge Raad benadrukte dat het hof voldoende gemotiveerd had vastgesteld dat verdachte het slachtoffer tweemaal met kracht in het bovenlichaam had gestoken, ondanks het ontbreken van een directe medische inschatting van de kans op overlijden. De algemene ervaringsregel dat verwondingen aan vitale organen dodelijk kunnen zijn, was voldoende om voorwaardelijk opzet aan te nemen.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn voor de procedure bijna was overschreden, maar zag geen reden om het arrest te vernietigen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 48 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03930
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de vorderingen tenuitvoerlegging van de officier van justitie, een en ander zoals in het arrest omschreven.
1.2
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt dat de bewijsvoering van het hof innerlijk tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk is, althans dat het hof niet redengevende omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan de bewezenverklaring.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 januari 2020 te Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de rug en in de zij van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
Het hof heeft de bewezenverklaring op een zogenaamde promis-wijze als volgt gemotiveerd (met weglating van de voetnoten):

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs is voor de poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor het aan verdachte ten laste gelegde. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de door aangever gegeven signalementen vrij algemeen zijn, dat niet duidelijk is welk telefoonnummer bij wie in gebruik was en dat om deze redenen niet vastgesteld kan worden dat verdachte die nacht in Kampen is geweest. De raadsvrouw heeft ook aangegeven dat de rode Peugeot niet aan verdachte gelinkt kan worden. Ten aanzien van het DNA van verdachte dat op het mes is aangetroffen, heeft zij naar voren gebracht dat het mes een verplaatsbaar object betreft. Verdachte heeft dit wellicht ooit een keer vastgehouden, maar niet kan worden vastgesteld dat hij daar op 11 januari 2020 iemand mee gestoken heeft. Wat betreft de aanmerkelijke kans op de dood heeft de raadsvrouw aangevoerd dat we niets weten over de kracht waarmee gestoken is en dat in de letselverklaring geen conclusies zijn opgenomen over de kans op het overlijden. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat die aanmerkelijke kans heeft bestaan.
Inleiding
Op 11 januari 2020 tussen 01.40 uur en 01.50 uur heeft in Kampen in de binnenstad in de Sint Jacobstraat een geweldsincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] gewond is geraakt. Het slachtoffer heeft door het geweld letsel opgelopen en is overgebracht naar het ziekenhuis in Zwolle.
Aangifte
Het slachtoffer heeft aangifte gedaan van poging tot diefstal met geweld dan wel poging tot afpersing dan wel poging tot doodslag, gepleegd op 11 januari 2020 te Kampen. Van het slachtoffer is later een uitgebreide verklaring opgenomen en daarin heeft hij verklaard dat hij door een steegje liep en dat er op een gegeven moment twee jongens aankwamen die zeiden “je spullen”. Toen het slachtoffer vroeg of ze het tegen hem hadden, zeiden de jongens “Je spullen NU” waarbij hij uit het niets een lachgastank tegen zijn kop aan kreeg. Toen hij op de grond lag, werd hij ook geschopt en later kwam hij er achter dat hij ook twee keer gestoken was. Volgens aangever heeft het incident in de Sint Jacobstraat plaatsgevonden, aan het einde van die straat, ter hoogte van de Burgwal. Op 10 maart 2020 is aangever nog een keer gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij die nacht van het voorval samen was met [getuige 1], dat zij richting de Burgwal liepen en dat er een paar jongens liepen. Hij zag ook [betrokkene 1] staan met zijn scooter naast een lachgasfles. Toen werd naar aangever geroepen dat hij zijn spullen moest geven en kreeg hij een klap met de lachgastank, waardoor hij op de grond viel. Toen hij op de grond lag, leek het net of hij een hele harde klap op zijn rug kreeg. Aangever is toen opgestaan en hard weggelopen. Hij struikelde nog over zijn eigen benen en viel weer op de grond. Toen hij op wilde staan, hoorde hij een sissend geluid van de lachgastank. Hij zegt dat hij werd aangevallen door twee negroïde jongens.
Letsel van aangever
Uit de aanvullende letselrapportage van de GGD IJsselland van 3 maart 2020 blijkt dat het slachtoffer, naast enkele bloeduitstortingen aan het hoofd, een drie centimeter lange steekwond op de linkerflank van de borst heeft opgelopen en een één centimeter lange steekwond op de rug. Wat betreft die laatste steekwond heeft de arts geconstateerd dat er onderhuidse luchtophoping zichtbaar is ter plaatse van de wond. Volgens de arts betekent het feit dat er onderhuidse Iuchtophoping is opgetreden dat er lucht is vrijgekomen vanuit de long of pleuraholte. Dit betekent dat de steekwond in ieder geval zodanig diep is geweest dat de punt van het stekende voorwerp de long heeft kunnen bereiken en raken. Volgens de arts zijn de wond op de rug en die op de flank ontstaan door niet al te scherp stekend of priemend geweld.
Forensisch onderzoek
In de nacht van het incident is op de stoep van de Burgwal te Kampen door de politie een zwart heft van een steakmes (SIN AAHJ4477NL) aangetroffen en in de Sint Jacobstraat te Kampen vond de politie een lemmet met een stukje van een zwart heft van een steakmes (SIN AAHJ4476NL) op straat.
Beide zijden van het heft zijn bemonsterd op epitheel en voorzien van SIN AAKD4462NL (rechterzijde van het heft) en SIN AAKD4464NL (linkerzijde van het heft).
Het bloed dat op het lemmet zat is ook door de verbalisant bemonsterd en voorzien van SIN AAKD4466NL (lemmet linkerzijde).
Daarnaast is ook de kleding die aangever droeg ten tijde van het incident onderzocht. Dat onderzoek wees uit dat er zowel steekgaten zaten in het voorpand als in het rugpand van de jas en de trui en dat die gaten passen bij de steekverwondingen van het slachtoffer.
Het NFI heeft de bemonsteringen onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dat onderzoek blijkt dat op het heft (zowel aan de rechterzijde (AAKD4462NL#01) als aan de linkerzijde (AAKD4464NL#01)) een DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van een onbekende persoon in beide gevallen kleiner is dan 1 op 1 miljard. Daarnaast is gebleken dat het DNA-profiel dat is aangetroffen op het lemmet (AAKD4466NL#01), matcht met het DNA-profiel van aangever, waarbij de kans dat dit DNA-profiel matcht met het DNA profiel van een onbekende persoon kleiner is dan 1 op 1 miljard.
Onderzoek van de Afdeling Werktuigsporen van de Forensische Opsporing naar het gevonden heft en lemmet heeft uitgewezen dat het souchedeel A, betreffende het zwarte kunststof heft van een steakmes (SIN AAHJ4477NL), oorspronkelijk één geheel heeft gevormd met het souchedeel B, betreffende een metalen lemmet met daaraan een afgebroken deel van een zwart kunststof heft van een steakmes (SIN AAHJ4476NL).
Getuigenverklaringen
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten Diender en Borgmeier blijkt dat zij de nacht van het incident met de [getuige 1] hebben gesproken. Hij heeft de verbalisanten verteld dat er die avond een feestje was bij [betrokkene 2] (fonetisch) en dat er donkergekleurde mannen op dat feestje waren die vervolgens van een man op een scooter, die aan het einde van de Sint Jacobstraat bij de Burgwal stond, een gasfles met lachgas wilden kopen waarna een conflict ontstond. De mannen zouden een ripdeal hebben gepleegd op het slachtoffer, waarbij het slachtoffer werd neergestoken toen hij niets wilde geven. Tijdens de ripdeal liet iemand ook een gasfles leeglopen dat een hard sissend geluid maakte. Volgens de getuige renden de mannen daarna naar een rode Peugeot 106 die geparkeerd stond aan de Burgwal precies aan het einde van de Sint Jacobstraat.
De politie heeft ook gesproken met de [getuige 2]. Zij heeft verklaard dat zij op 11 januari 2020 op de kruising Broederstraat met de Burgwal te Kampen een hard sissend geluid hoorde. Toen zij die richting op keek, zag zij twee getinte personen en een andere persoon lopen. Toen het sissende geluid na vijftien seconden ophield, zag zij de twee getinte mannen richting een rode Peugeot lopen die op de Burgwal stond geparkeerd. Het betrof het kleinste model. Vervolgens is de Peugeot weggereden.
De rode personenauto
Naar aanleiding van de hiervoor genoemde getuigenverklaringen, waarin gesproken wordt over een rode personenauto waar de personen in zijn gestapt die betrokken zijn geweest bij het geweldsincident, is nader onderzoek verricht. [verbalisant] heeft daarover gerelateerd dat verdachte en zijn broer gebruikmaken van een rode Citroen C1 met [kenteken]. Het betreffende kenteken is sinds 2 januari 2020 op naam gesteld van de moeder van de verdachte. De verbalisant heeft het betreffende model vergeleken met het kleinste model van het merk Peugeot en heeft geconstateerd dat beide modellen grote overeenkomsten vertonen. Daarnaast blijkt uit zijn onderzoek dat met het genoemde voertuig (de Citroen C1) op 11 januari 2020 om 01.58 uur op de N50 ter hoogte van hectometerpaal 243.1 een snelheidsovertreding werd begaan en dat de boete werd betaald van het bankrekeningnummer dat toebehoort aan de ouders van de verdachte.
Onderzoek naar telefoongegevens
Er is daarnaast onderzoek gedaan naar de telefoonnummers die volgens het politiesysteem aan verdachte en zijn broer [betrokkene 3] gekoppeld kunnen worden. Het gaat om de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] en volgens de politie is het niet waarschijnlijk dat beide nummers bij dezelfde persoon in gebruik zijn. Uit onderzoek lijkt het waarschijnlijk dat het [telefoonnummer 2] bij [betrokkene 3] in gebruik is. Er is onderzoek gedaan naar het nummer in de periode tussen 1 januari 2020 en 1 maart 2020. Na het steekincident is er een aantal malen telefonisch contact geweest tussen het [telefoonnummer 2] en het nummer [telefoonnummer 3] welke in gebruik is bij [betrokkene 2]. Het toestel straalt op 10 januari 2020 vanaf 17.40 uur tot 20.38 uur de [zendmast] aan. Dit is de zendmast die het dichtst bij de woning van [betrokkene 3] is. Vanaf 20.39 uur tot 21.29 uur straalt het toestel diverse zendmasten in Zwolle aan. Om 22.46 uur straalt het toestel de zendmast aan de Wortmanstraat in Kampen aan. Tussen 10 januari 22.46 uur en 11 januari 01.27 uur straalt het toestel verschillende zendmasten aan in Kampen. De verbalisant merkt daarbij op dat de zendmasten alle zijn gericht richting het centrum van Kampen. Op 11 januari 2020 straalt het toestel om 02.54 uur en 02.59 uur de zendmast aan de Oude Dijk in Oldebroek aan. Pas om 10.08 uur straalt het toestel een andere zendmast aan in Zwolle.
Van het [telefoonnummer 1], waarvan de politie aangeeft dat het kennelijk in gebruik is bij verdachte, stelt de politie vast dat daarmee veelvuldig de twee zendmasten die richting de woning van verdachte in [plaats] gericht staan worden aangestraald tijdens de voor nachtrust bestemde tijd. Daarnaast heeft het nummer regelmatig contact met het telefoonnummer dat toebehoort aan de moeder van het zoontje van verdachte en met het nummer dat de politie koppelt aan de broer van verdachte, [betrokkene 3].
Het [telefoonnummer 1] heeft op 8 januari 2020 en 4 februari 2020 ook diverse malen telefonisch contact gehad met het [telefoonnummer 3], welk nummer in gebruik is bij [betrokkene 2].
Wat betreft de nacht van 10 op 11 januari 2020 blijkt uit onderzoek dat het toestel met het [telefoonnummer 1] tussen 19.27 uur en 22.27 uur diverse verschillende zendmasten in Zwolle aanstraalt en dat het tussen 22.57 uur en 11 januari 2020 00.45 uur verschillende zendmasten in Kampen aanstraalt. En om 01.57 uur straalt het toestel de zendmast aan de Rijksweg N50 in Zalk aan.
De verbalisant heeft daarbij opgemerkt dat de reisduur van de plaats delict op de Burgwal, waar rond 01.47 uur het steekincident zou hebben plaatsgevonden, tot aan de zendmast aan de Rijksweg N50 in Zalk volgens Google.maps bij normale drukte en normale snelheid 14 minuten betreft. Volgens de verbalisant staat de zendmast aan de Rijksweg N50 in het buitengebied en heeft deze daarom een groter zendbereik dan een zendmast in de bebouwde kom. Het is dus niet uit te sluiten dat het toestel dat om 01.57 uur de zendmast aan de Rijksweg N50 in Zalk aanstraalde, ten tijde van het steekincident om 01.47 uur op de Burgwal in Kampen is geweest. Vanaf 02.15 uur straalde het toestel de zendmast aan de Oude Dijk in Oldebroek aan en om 11.40 uur een zendmast in Zwolle.
Verklaringen van de verdachte
Verdachte heeft zich zowel tijdens het verhoor door de politie als tijdens de terechtzitting in eerste aanleg, als tijdens de terechtzitting in hoger beroep wat betreft de zaaksinhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht beroepen.
Het oordeel van het hof
Op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer twee keer met een mes heeft gestoken.
De omstandigheid dat op het mes waar het slachtoffer mee gestoken blijkt te zijn DNA van verdachte is aangetroffen, is dermate belastend voor verdachte dat van hem op dit punt een verklaring mag worden verwacht. Het hof stelt vast dat verdachte in reactie op de aan hem gestelde zaaksinhoudelijke vragen, ondanks daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, op geen enkel punt heeft willen reageren in zijn verhoren en dat hij dus geen aannemelijke verklaring heeft gegeven of willen geven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het mes. De enkele stelling van de raadsvrouw dat het mes een verplaatsbaar object is en dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn voor het aantreffen van het DNA op het mes is in dit verband als verklaring onvoldoende.
Daar komt bij dat de telefoon die door de politie aan verdachte gekoppeld wordt, in de nacht van het incident verschillende zendmasten in Kampen heeft aangestraald. Bovendien is een soortgelijk voertuig als dat van de moeder van verdachte door meerdere getuigen op de plaats delict gezien. Het betreffende voertuig is direct na het steekincident weggereden. Dat de getuigen met betrekking tot dit voertuig spreken over een roodkleurige Peugeot terwijl de auto van de moeder van verdachte een rode Citroen C1 is, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de verklaringen over de rode auto die direct na het steekincident is weggereden geen bewijs tegen verdachte oplevert. Het hof stelt op basis van het proces verbaal van [verbalisant] vast dat de auto die ten tijde van het steekincident is gezien en de auto van de moeder van verdachte sterk op elkaar lijken. Naar het oordeel van het hof is voorstelbaar dat de getuigen zich in de benaming van het type auto hebben vergist, zodat het hof ervan uitgaat dat beide genoemde auto’s in werkelijkheid dezelfde auto betreffen. Het hof wordt in deze conclusie gesterkt door het feit dat met de auto van de moeder van verdachte op 11 januari 2020 om 01.58 uur een snelheidsovertreding is begaan op de N50 en dat de boete daarvoor met het rekeningnummer van de ouders van verdachte is betaald. Bovendien blijkt uit hetgeen de verbalisant heeft vastgesteld met betrekking tot de afstand van de plaats delict tot aan de zendmast op de N50 dat het tijdstip van het aanstralen van deze zendmast en het tijdstip van het steekincident, mede gelet op de flinke snelheid waarmee de auto van de moeder van verdachte blijkens de gemeten snelheidsovertreding op de N50 heeft gereden, met elkaar kunnen rijmen.
De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of verdachte met het steken van het slachtoffer de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zou komen te overlijden. Het hof leidt uit de letselverklaring af dat het slachtoffer een drie centimeter lange steekwond op de linkerflank van de borst heeft opgelopen en een één centimeter lange steekwond op de rug. De arts heeft geconcludeerd dat er door de steekwond op de rug een onderhuidse luchtophoping is opgetreden en dat lucht is vrijgekomen vanuit de long of pleuraholte. Volgens de arts is de steekwond zodanig diep geweest dat de punt van het stekende voorwerp de long heeft kunnen bereiken en raken.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte het mes met enige kracht in het lichaam van het slachtoffer moet hebben gestoken. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat volgens de arts de wonden zijn ontstaan door niet al te scherp stekend of priemend geweld, in combinatie met het feit dat verdachte door zijn jas en trui is gestoken en dat het mes is afgebroken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam van een persoon vitale organen bevinden, zoals het hart en de longen, en dat een verwonding daaraan tot de dood van een persoon kan leiden. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Uit de omstandigheid dat verdachte er desondanks voor heeft gekozen om het slachtoffer tweemaal in het bovenlichaam te steken, blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden.”
2.4
De steller van het middel voert in de toelichting op het middel aan dat uit de bewijsvoering “niets anders” kan worden afgeleid dan dat ene [betrokkene 1] (en dus niet de aangever) lachgas verkocht en het slachtoffer is geworden van een ripdeal waarbij hij is neergestoken.
2.5
Wat mij betreft faalt het eerste middel. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de aangever heeft verklaard dat hij in de buurt van [betrokkene 1] stond toen hij werd gesommeerd zijn spullen af te staan, waarna hij is geslagen en gestoken door twee negroïde jongens. [getuige 1] heeft gezien dat twee donkergekleurde mannen van een man op een scooter (kennelijk wordt hiermee [betrokkene 1] bedoeld) lachgas hebben willen kopen, waarna een conflict ontstond. Tijdens dit conflict is “het slachtoffer” neergestoken toen hij niets wilde geven. Mijns inziens is het evident dat het hof ervan uit is gegaan dat met “het slachtoffer” de aangever, en niet [betrokkene 1], wordt bedoeld. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Van een innerlijk tegenstrijdige bewijsconstructie is dan ook geen sprake. Voorts zie ik in het geheel niet in waarom, zoals de steller van het middel aanvoert, opname van de getuigenverklaringen van de aangever en [getuige 1] in de bewijsmiddelen niet redengevend zou kunnen zijn voor het bewijs.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van het opzet op de dood van het slachtoffer niet uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden, althans dat het door de verdediging gevoerde verweer dat geen sprake was van opzet op de dood op ontoereikende gronden is verworpen.
3.2
In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat het hof uit de drie centimeter lange steekwond in de linkerflank van de borst van het slachtoffer niet een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft kunnen afleiden, omdat over zowel de diepte als de plaats van de wond niets is vastgesteld. Ditzelfde geldt voor de één centimeter lange steekwond op de rug van de aangever, omdat uit de overwegingen dat de steekwond ‘zodanig diep geweest’ is dat de punt van het stekende voorwerp de long heeft kunnen bereiken niet kan worden afgeleid hoe diep de wond was. Voorts heeft het hof niet vastgesteld of medisch ingrijpen ter voorkoming van overlijden nodig was.
3.3
Bij bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Voor het oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden als gevolg van door de verdachte toegebrachte steekwonden is een drietal aspecten van belang. Ten eerste moet sprake zijn geweest van een aanmerkelijke kans dat de dood zou intreden als gevolg van de gedragingen van de verdachte. [1] Ten tweede moet de verdachte wetenschap hebben gehad van deze kans. [2] Ten derde moet de verdachte een handeling hebben begaan waarin zijn aanvaarding van de kans besloten ligt. Bij dit derde aspect is van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [3]
3.4
Specifiek met betrekking tot het toebrengen van een steekwond in de buurt van de torso verdient opmerking dat dit al snel afdoende is voor het vaststellen van voorwaardelijk opzet, [4] zeker als dit doelbewust [5] en/of met kracht gebeurt. [6] Bij het aannemen door de Hoge Raad van een motiveringsgebrek in het oordeel van het hof dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood bij het toebrengen van messteken kan een rol spelen dat de aard en de gevolgen van de steekwond niet uit de bewijsvoering blijken en ook niet kan worden afgeleid welke risico’s op de dood de gedragingen van de verdachte in het leven hebben geroepen. [7] Bij dit laatste verdient opmerking dat de kans op overlijden ook uit algemene ervaringsregels kan worden afgeleid. [8] Voorts casseert de Hoge Raad als de plaats van de steekwond onduidelijk blijft en verder ook niet blijkt met welke kracht de bewezenverklaarde steken zijn toegebracht. [9] Ook kan de verklaring van de verdachte een contra-indicatie opleveren voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. [10]
3.5
Tegen deze achtergrond meen ik dat het middel faalt. Hierbij speelt voor mij een doorslaggevende rol dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de aangever tweemaal met een steakmes met
zo’n krachtin de linkerflank van de borst en de rug heeft gestoken dat hij aangevers jas en trui heeft doorboord, het mes is afgebroken, en een steekwond heeft toegebracht die zo diep was dat de long van de aangever is geperforeerd. Het hof heeft dus zowel vaststellingen gedaan omtrent de kracht waarmee is gestoken als de aard van de verwonding. Gezien deze vaststellingen, in combinatie met de overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat een verwonding aan de longen van een persoon tot zijn dood kan leiden, dat de verdachte hiervan op de hoogte moet zijn geweest en er desondanks
voor heeft gekozenom de aangever tweemaal in het bovenlichaam te steken, is het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard mijns inziens toereikend gemotiveerd. Dat uit de letselverklaring niet blijkt wat – achteraf bezien – de kans op overlijden was, doet hier wat mij betreft niet aan af.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. Wel wijs ik erop dat sinds het instellen van het cassatieberoep zeer binnenkort twee jaren zullen zijn verstreken, zodat de redelijke termijn zal worden overschreden. Ik ga er echter van uit dat de Hoge Raad met de constatering daarvan zal kunnen volstaan.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
2.HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
3.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
4.Zie onder meer HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2485 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (steken in de linkeroksel); HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8027 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (messteek in de buik); HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:694 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (steken in borststreek); HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:229 (HR: art. 81 RO Pro) (in de rug en borst steken); HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:233 (HR: art. 81 RO Pro) (steken in de buik); HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1543 (toebrengen van meerdere steekwonden onder andere in de rug net onder de flank van het linkerschouderblad waardoor een zuigende borstwond, mogelijk een klaplong links en buikletsel was ontstaan en plaatsing van twee borstdrainns, beademing en operatief ingrijpen noodzakelijk was; HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1893 (HR: art. 81 RO Pro) (meermalen met een mes in de schouder en in de rug steken); HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:512 (HR: art. 81 RO Pro) (messteek in de buik met een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter); en HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1714 (HR: art. 81 RO Pro) (steken links laag in de borstkas).
5.HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482, r.o. 2.4 (met een mes (t.a.v. het eerste slachtoffer) eenmaal en (t.a.v. het tweede slachtoffer) meermalen in de rechterflank/onderrug steken).
6.HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, r.o. 4.4 (met kracht diep onder in de rug steken); HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763,
7.HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:975, r.o. 2.3 (kennelijk oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk, omdat het hof inzake de aard en de gevolgen van de verwondingen niet meer heeft vastgesteld dan dat het gaat om een steekverwonding van twee centimeter in de rug en twee steekverwondingen van één en twee centimeter in de linkerbovenarm).
8.HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1142, r.o. 2.3 (steekwond toegebracht in de buik, 5 cm onder de ribbenboog. De medische verklaring vermeldde: “steekverwonding epigastrio, klinisch verdacht voor erforatie hol orgaan. Na enige uren toename van buikklachten waarvoor CT. Besloten een laparotomie te verrichten.”).
9.HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1871, r.o. 2.3 (kennelijk oordeel dat de verdachte door het toebrengen van messteken in de rug en in de achterzijde van het rechterbovenbeen van het slachtoffer willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk, omdat “uit de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid in welk deel van de rug het slachtoffer is gestoken en evenmin met welke kracht de bewezenverklaarde steken zijn toegebracht, terwijl het Hof over de aard van de verwondingen niet meer heeft vastgesteld dan het gapende scherpgerande wonden betrof”).
10.HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0241, r.o. 2.3 (oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof had vastgesteld dat de verdachte had verklaard dat hij de ernst van het letsel dat het slachtoffer zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ongeveer twee centimeter).