Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verdachte terecht voor medeplegen van diefstal met geweld en medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens tijdens een gewapende overval op een onderneming in Curaçao, waarbij een bewaker van een beveiligingsbedrijf om het leven kwam. De zaak werd behandeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat de verdachte veroordeelde tot een gevangenisstraf van zestien jaar.
De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij onder meer werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis uitsluitend wat betreft de strafmaat en tot vermindering van de straf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen die betrekking hadden op het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte en de lange duur van het cassatieproces, werd de straf verminderd met in totaal zeven maanden, waardoor de gevangenisstraf uitkomt op vijftien jaar en vijf maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden vonnis uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wees het beroep voor het overige af. Deze uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafprocedures, ook in cassatie, en de gevolgen van overschrijding daarvan voor de strafoplegging.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van zestien jaar naar vijftien jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.