Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
15 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin een verdachte, schipper van een binnenschip, werd veroordeeld voor het overtreden van het generatorverbod in de Rotterdamse haven. De verdachte voerde aan dat hij in noodtoestand handelde omdat het gebruik van walstroom het leggen van kabels vereiste, wat onveilige situaties zou veroorzaken.
Het hof oordeelde dat de verdachte de mogelijkheid had uit te wijken naar een ligplaats waar het generatorverbod niet gold, waardoor het beroep op noodtoestand niet slaagde. Daarnaast stelde de verdachte dat het generatorverbod onverenigbaar was met veiligheidsvoorschriften en daarom onverbindend.
De Hoge Raad bevestigde de geldigheid van het generatorverbod en walstroomplicht, verwierp het beroep op noodtoestand en onverenigbaarheid, en wees het cassatieberoep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de schipper wordt verworpen en het generatorverbod blijft geldig.