10. Om te beginnen, kan worden vastgesteld dat de wetgever in dit geval, te weten in art. 4.6, tweede lid, van de Havenbeheersverordening Rotterdam 2010, een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen, nu hierin wordt bepaald dat het college van – kortgezegd – ‘het generatorverbod’ ontheffing of vrijstelling kan verlenen, terwijl in feitelijke aanleg door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hierop een beroep is gedaan.
11. In de toelichting op het middel worden argumenten naar voren gebracht om te onderbouwen dat het leggen van kabels die nodig zijn om walstroom te gebruiken, “gevaar” oplevert en in strijd is met de te betrachten maatschappelijke zorgvuldigheid en de “goede zeemanschap […] ‘voorzorgsmaatregelen’” die een schipper in acht moet nemen, waarbij wordt verwezen naar art. 1.04 Binnenvaartpolitiereglement. Ook wordt erop gewezen dat het uitzetten van de generator geen optie is, gelet op het vereiste dat een binnenvaartschip te allen tijde bedrijfsklaar moet zijn.
12. Deze argumenten, die ook ter terechtzitting naar voren zijn gebracht zoals blijkt uit de daar overgelegde pleitnota, doen echter niet af aan het argument waarmee het hof het beroep op noodtoestand heeft verworpen. Het hof heeft erop gewezen dat de verdachte de mogelijkheid had om uit te wijken naar een ligplaats waar geen generatorverbod gold om daar af te meren. Namens de verdachte is in dit verband gewezen op nadeliger gevolgen voor het milieu (omdat hij dan een uur heen zou moeten varen en een uur terug), maar naar het oordeel van het hof levert dit, als daarvan al sprake is, geen noodtoestand op. Tegen dat oordeel van het hof worden in cassatie geen bezwaren aangevoerd, zodat het middel om die reden faalt.
13. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de verdachte zich weliswaar heeft beroepen op milieubelangen die geschaad zouden worden door een uur met het schip te varen naar die andere plek waar het generatorverbod niet van toepassing was en om vervolgens weer een uur terug te varen, maar dat de.Rotterdamse wetgever juist met het oog op het milieu het generatorverbod heeft ingesteld. Dit blijkt uit de “Toelichting bij de Havenbeheersverordening Rotterdam 2010”, die bij art. 4.6 Havenbeheersverordening Rotterdam 2010 het volgende inhoudt:
“In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven bij de ligplaatsen voor de binnenvaart aansluitingen voor de afname van elektriciteit (ten behoeve van de binnenvaart) gerealiseerd.
Uitgangspunt is dat binnenschepen die direct of indirect zijn afgemeerd op een ligplaats die in het beheer is bij Havenbedrijf Rotterdam N.V. en indien deze ligplaats voorzien is van een mogelijkheid voor afname van walstroom ten behoeve van dat binnenschip, het binnenschip geen gebruik maakt van een generator.
Om kenbaar te maken waar het verbod om een generator te gebruiken geldt, worden gebieden door het college als zodanig nader aangewezen. Het aanwijzen van deze gebieden geschiedt in de praktijk – namens het college – door de havenmeester.
Voor zover het gebieden betreft – al dan niet in beheer bij Havenbedrijf Rotterdam N.V. – waar walstroom beschikbaar is, maar die niet als zodanig zijn aangewezen, geldt er geen verbod om een generator te gebruiken.”
14. Met het generatorverbod voor bepaalde plaatsen, waaronder de Maashavenkade waar de verdachte zijn schip heeft afgemeerd, heeft de Rotterdamse wetgever al een afweging gemaakt tussen de milieubelangen van de omwonenden en de milieubelangen die ermee gemoeid zijn om met het schip verder te varen naar een plek waar hij mag afmeren en waar het generatorverbod niet van toepassing is.
15. Voorts merk ik ten overvloede op dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De verdachte heeft een goed, niet-strafbaar alternatief laten liggen dat het hof met zoveel woorden heeft omschreven.