Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Het derde middel faalt ook.
Hoge Raad
Belanghebbende, een financiële holding, had een in Oostenrijk woonachtige werknemer in dienst die in 2012 een loon boven €150.000 genoot. Over dit loon werd in 2013 een pseudo-eindheffing hoog loon (crisisheffing) geheven op grond van artikel 32bd Wet LB 1964. Belanghebbende stelde dat deze heffing in strijd was met het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikelen 45-48 VWEU en met het Handvest van de grondrechten van de EU.
De Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het om een binnenlandse situatie ging en dat de crisisheffing geen onderscheid maakte naar nationaliteit of woonplaats, waardoor het Unierecht niet van toepassing was. In cassatie betoogde belanghebbende dat het vrij verkeer van werknemers wel werd beperkt en dat het Handvest van toepassing was.
De Hoge Raad oordeelde dat de regeling geen discriminatie inhoudt en geen belemmering vormt voor het aanstellen van werknemers uit andere lidstaten. De crisisheffing valt binnen de fiscale autonomie van Nederland en is niet in strijd met het vrij verkeer van werknemers. Ook is het Handvest niet van toepassing omdat er geen uitvoering van Unierecht plaatsvindt. De overige middelen faalden eveneens. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de crisisheffing niet in strijd is met het vrij verkeer van werknemers.