De verdachte werd bij verstek veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de verdachte geen schriftuur houdende grieven had ingediend, ondanks een brief waarin de verdachte zijn bezwaren uitte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de brief van de verdachte niet als een schriftuur houdende grieven aanmerkte, aangezien aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld, ook niet als deze door de verdachte zelf worden ingediend. Hierdoor was de niet-ontvankelijkverklaring niet begrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee wordt de verdachte alsnog in de gelegenheid gesteld zijn grieven inhoudelijk te laten behandelen.