Uitspraak
1.Geding in cassatie
(...)"
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
In dit arrest geeft de Hoge Raad een uitgebreide uiteenzetting van de wettelijke regels en jurisprudentie omtrent het oproepen en horen van getuigen op verzoek van de verdediging in strafzaken. De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het hof het verzoek tot het horen van twee getuigen heeft afgewezen omdat het verhoor niet noodzakelijk werd geacht.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de toepasselijke wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, waaronder de artikelen 263, 264, 287, 288, 315, 322, 328, 410, 414 en 418 Sv, en legt uit welke maatstaven gelden bij de beoordeling van verzoeken tot oproeping van getuigen. Daarbij maakt hij onderscheid tussen het verdedigingsbelang, dat geldt bij verzoeken die tijdig zijn gedaan en bij appelschriftuur zijn opgegeven, en het noodzakelijkheidscriterium, dat geldt bij verzoeken die pas op de terechtzitting worden gedaan.
De Hoge Raad benadrukt dat het verzoek van de verdediging voldoende gemotiveerd moet zijn en dat het openbaar ministerie of de rechter een verzoek kunnen weigeren als het horen van de getuige niet noodzakelijk is of het verdedigingsbelang niet wordt geschaad. Tevens wordt ingegaan op de procedurele aspecten zoals het meebrengen van getuigen, de termijnen voor opgave, en de gevolgen van schorsing en hervatting van het onderzoek.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het middel dat klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het horen van twee getuigen buiten behandeling moet blijven omdat het betreft een beslissing op grond van artikelen 328 en 331 Sv in verbinding met artikel 315 Sv Pro, waarop artikel 322, vierde lid, Sv niet van toepassing is. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat het horen van de betreffende getuigen niet noodzakelijk is.