Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij
4.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het cassatieberoep.
De benadeelde partij heeft wel een middel van cassatie ingediend, maar aangezien de verdachte niet-ontvankelijk is, blijft deze schriftuur onbesproken. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering. De uitspraak bevestigt het belang van het tijdig indienen van middelen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.