ECLI:NL:HR:2019:1641

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
18/00468
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 342 lid 2 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ontucht met minderjarige dochter wegens onvoldoende bewijs en ondervragingsrecht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter. Het cassatieberoep richtte zich op twee hoofdpunten: het schenden van het ondervragingsrecht van verdachte zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro, doordat verklaringen van de aangeefster werden gebruikt zonder dat verdachte haar heeft kunnen ondervragen, en het ontbreken van voldoende steunbewijs ter onderbouwing van de veroordeling, waarbij sprake zou zijn van een unus testis situatie in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de aangevoerde middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met raadsheren Buruma en Claassens, en de waarnemend griffier Kea. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest bekrachtigd bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor ontucht met minderjarige dochter blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00468
Datum29 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2017, nummer 22/002967-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 oktober 2019.