Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van [klager 2]
3.Beoordeling van het namens [klager 1] voorgestelde middel
4.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant over een vordering op grond van artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering, waarbij het ging om een verzoek tot rechtshulp met betrekking tot de overdracht van goederen en data van elektronische gegevensdragers aan Belgische justitiële autoriteiten.
Twee klagers waren betrokken; voor één klager werden geen middelen ingediend, waardoor deze niet-ontvankelijk werd verklaard. De andere klager stelde een middel van cassatie voor, gericht tegen de beschikking die de overdracht toestond ondanks bezwaren over mogelijke schendingen van artikel 6 en Pro 8 EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en verwierp het beroep. De beslissing bevestigt dat het verzoek tot rechtshulp rechtmatig was en dat de bezwaren onvoldoende waren om de overdracht te weigeren.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 november 2019, waarbij de vice-president en twee raadsheren het vonnis uitspraken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart één klager niet-ontvankelijk en verwerpt het beroep van de andere klager tegen de beschikking tot rechtshulp.