ECLI:NL:HR:2019:1693

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
1 november 2019
Zaaknummer
18/00225
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552p SvArt. 447 SvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot rechtshulp inzake overdracht elektronische gegevensdragers aan België afgewezen

De zaak betreft beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant over een vordering op grond van artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering, waarbij het ging om een verzoek tot rechtshulp met betrekking tot de overdracht van goederen en data van elektronische gegevensdragers aan Belgische justitiële autoriteiten.

Twee klagers waren betrokken; voor één klager werden geen middelen ingediend, waardoor deze niet-ontvankelijk werd verklaard. De andere klager stelde een middel van cassatie voor, gericht tegen de beschikking die de overdracht toestond ondanks bezwaren over mogelijke schendingen van artikel 6 en Pro 8 EVRM.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en verwierp het beroep. De beslissing bevestigt dat het verzoek tot rechtshulp rechtmatig was en dat de bezwaren onvoldoende waren om de overdracht te weigeren.

De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 november 2019, waarbij de vice-president en twee raadsheren het vonnis uitspraken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart één klager niet-ontvankelijk en verwerpt het beroep van de andere klager tegen de beschikking tot rechtshulp.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00225 B
Datum5 november 2019
BESCHIKKING
op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 januari 2018, nummers RK 17/2267 en RK 17/2269, op een vordering als bedoeld in art. 552p Sv, in de zaken
tegen
[klager 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
en
[klager 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkenen.

1.Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de betrokkenen. Namens [klager 2] zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Namens [klager 1] heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Deze schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [klager 2] in het ingestelde cassatieberoep. Ten aanzien van [klager 1] strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van [klager 2]

Nu [klager 2] niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat [klager 2] in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beoordeling van het namens [klager 1] voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart [klager 2] niet-ontvankelijk in het beroep;
- verwerpt het beroep van [klager 1].
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2019.