Conclusie
Nummer18/00225
middelbevat klachten over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding en het opvragen van nadere informatie bij de Belgische autoriteiten én over het verleende verlof, nu het ter beschikking stellen van de elektronische apparaten aan de Belgische overheid met zich brengt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen 6 en 8 EVRM, althans dat de rechtbank het daarop betrekking hebbende verweer verworpen heeft op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Ook wordt het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen.
“Dreigende flagrante schending artikel 8 EVRM Pro:
De raadsvrouw:
flagranteschending vind ik niet terug in hetgeen de raadsvrouw in de raadkamer heeft aangevoerd. Ik merk op dat de uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie betrekking heeft op een geval waarin geen uitgebreide doorzoeking heeft plaatsgevonden (zoals blijkt uit nr. 5 van de betreffende uitspraak), zodat aan deze uitspraak niet de door de raadsvrouw gestelde consequenties verbonden kunnen worden. Bovendien – en dat maakt het verweer des te krachtelozer – levert een schending van het in art. 8 EVRM Pro gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM Pro vervatte waarborg van een eerlijk proces. [3]