Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte werd verdacht van medeplegen van moord op een politicus in Curaçao in 2013. De cassatie richtte zich onder meer op de vraag of een verklaring van het voormalig hoofd van de veiligheidsdienst, gebaseerd op een anonieme getuige, als bewijs kon dienen ondanks het niet naleven van voorschriften voor het horen van een anonieme getuige.
Daarnaast werden klachten geuit over het niet (opnieuw) kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht ten aanzien van twee getuigen en over de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Ook werd betwist dat uit het bewijs kon blijken dat de verdachte op de in de bewezenverklaring genoemde datum handelingen had verricht die duidden op medeplegen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, waardoor het vonnis tot veroordeling in stand blijft.