Conclusie
Onafhankelijk Volk”). De veroordeling van de [medeverdachte 1] is reeds bij arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2016 onherroepelijk geworden. [1]
eerste middel
Contacten met (een van) de opdrachtgever(s)
"De heer Wiels is vermoord op een zondag. Twee of drie dagen daarna kreeg ik een telefoontje van een informant van de Veiligheidsdienst. Hij wilde een ontmoeting met mij. Tijdens die ontmoeting vertelde hij mij dat hij had gezien hoe de overvaller van het [A] Hotel met de buit bij [betrokkene 5] kwam. Volgens mij gaat het om de tweede overval op het [A] Hotel. Van de informant begreep ik dat de buit, horloges en andere spullen behelsde. [betrokkene 5] had geen interesse in de buit, maar gaf aan wel een andere taak voor hem te hebben. Hij vroeg of hij iemand 'koud' kon maken voor hem. Hij zei daarbij dat het ging om Helmin Wiels . De auto met daarin de overvaller was geblindeerd. Achterin zat [medeverdachte 3] . De informant kon dat zien ondanks geblindeerde ramen, namelijk als je van dichtbij kijkt. Voorin zat de chauffeur achter het stuur. De chauffeur was een van de overvallers. [betrokkene 5] stond buiten de auto. Toen de auto met chauffeur en [medeverdachte 3] erin vertrok, bleef [betrokkene 5] achter. Diezelfde nacht kwam de auto met [medeverdachte 3] terug. In de auto zat toen ook [verdachte] . Ze kwamen terug bij [betrokkene 5] voor het aanbod om Helmin Wiels te vermoorden.
tweede middel
De contacten tussen de verdachte en [betrokkene 5]
Ongeveer één à anderhalve maand voor de moord op Wiels heb ik gezien dat [verdachte] op bezoek kwam en wegging met een gevulde envelop. Dit ging als volgt. [betrokkene 5] gaf mij altijd laat in de middag de opdracht geld te halen bij de banken. Ik kreeg van [betrokkene 5] de opdracht om naar de Banco di Caribe te gaan en daar een cheque tegen contant geld te wisselen. Ik kreeg het geld bij de bank mee in een enveloppe. Ik moest die avond overwerken. Ik heb dat geld op het kantoor van [D] uit de enveloppe gehaald en in een bruine enveloppe gestopt. Deze enveloppen liggen in het kantoor van [D] . Normaal gesproken wordt er bij [D] met witte enveloppen gewerkt, maar ik stopte het geld in een bruine enveloppe en zette de enveloppe onder het bureau van [betrokkene 5] . Ik had daar een bedoeling bij.
Ik heb één keer waargenomen dat [verdachte] geld in zijn broekzak had. Ik heb meerdere keren waargenomen dat hij met een gevulde envelop bij [betrokkene 5] wegging.
Ongeveer anderhalve maand geleden is de broer van [verdachte] op kantoor gekomen. Aan zijn gezicht kon je zien dat hij boos was. De broer lijkt veel op [verdachte] . De broer gaf aan dat ze moest doorgeven aan [betrokkene 5] dat [verdachte] langs was geweest. [betrokkene 5] had gezegd dat hij geen [verdachte] kent. De eerste keer was de broer in de ochtend gekomen. Later kwam de broer van [verdachte] in de middag weer terug. De broer van [verdachte] gaf aan dat als [betrokkene 5] hem zou zien, dat hij hem zeker zou herkennen. [betrokkene 5] begon zich vreemd te gedragen. Hij ging heel voorzichtig kijken wie er stond. Op een gegeven moment zei [betrokkene 5] ons de man binnen te laten als hij ons een seintje gaf, maar hij liet uiteindelijk de broer van [verdachte] zelf binnen en ze gingen een kantoor binnen, schuin tegenover de wc's. Even later kwam [betrokkene 5] naar buiten en ging zijn eigen kantoor binnen. Het was duidelijk te zien dat hij zijn eigen kantoor verliet en dat zijn rechterbroekzak een hele bult had, dus vol zat. [betrokkene 5] had een stukje van zijn hand erin gestoken, maar ik kon toch zien dat er geld, bruine briefjes van 100 NAfin zijn broekzak zat. [betrokkene 5] ging terug het kantoor in waar de broer van [verdachte] was gebleven. Na niet al te lange tijd verliet de broer het kantoor en het pand. Ik heb bewust op de broekzak gelet. U vraagt mij of de broer van [verdachte] voor ons heeft gewerkt. Nee, de naam [verdachte] komt bij ons niet voor."
7.Het derde middel
Ander steunbewijs voor het (door)geven van het geld door de verdachte
Ik herken dit gesprek. Het is een ping-gesprek tussen [getuige 2] en mij. Dat gesprek gaat over geld dat in het huis van [medeverdachte 3] was. Het gaat over het geld dat [medeverdachte 1] zei dat hij niet gekregen had voor het plegen van de moord op Wiels .
[getuige 2] heeft mij verteld dat [medeverdachte 1] haar had verteld dat [medeverdachte 3] met 200 of 400 duizend was gebleven die voor hem was bestemd voor het plegen van de moord op Wiels . Tevens dat [medeverdachte 3] het geld met [verdachte] zou hebben verdeeld of zou gaan verdelen.”