Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het zesde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht voor valsheid in geschrift en medeplegen van het doen van onjuiste of onvolledige belastingaangifte, met als gevolg dat te weinig belasting werd geheven. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte een geldboete van €300.000 opgelegd.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, met een voorstel tot vermindering van de geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. De overige klachten werden verworpen.
Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, eerste lid, in de cassatiefase doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de geldboete te verminderen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en stelde deze vast op €297.500. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de overige verweren van de verdachte niet werden gehonoreerd.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, na openbare terechtzitting op 5 november 2019.
Uitkomst: De geldboete is verminderd van €300.000 naar €297.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.