Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanranding van een 17-jarig oppasmeisje door haar buurman, waarbij het hof het oordeel velde dat verdachte haar had gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De bewezenverklaring steunde op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en digitale berichten. Het slachtoffer lag aanvankelijk slapend toen de verdachte haar betastte en trok zichzelf af in haar bijzijn.
Het hof oordeelde dat de verdachte dwang had uitgeoefend, mede afgeleid uit het heimelijke karakter van de handelingen en het fysieke overwicht. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het hof ten onrechte dwang aannam terwijl het slachtoffer zich slapend hield en niet actief weerstand bood.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat dwang in de zin van art. 246 Sr Pro alleen kan worden aangenomen indien het slachtoffer de handelingen tegen haar wil heeft ondergaan en het opzet van de verdachte daarop was gericht. Het hof had onvoldoende gemotiveerd dat de verdachte opzet had met betrekking tot de fase waarin het slachtoffer wakker was maar zich slapend hield.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering omtrent dwang en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.