ECLI:NL:HR:2019:1718

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2019
Publicatiedatum
6 november 2019
Zaaknummer
19/03911
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in AOW-zaak tegen Sociale Verzekeringsbank

Belanghebbende heeft tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank, genomen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Dit beroep was gericht tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die op haar beurt het hoger beroep behandelde tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Overijssel.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en is tot het oordeel gekomen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit kan zijn omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.

Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding gezien om proceskosten aan belanghebbende op te leggen.

Het arrest is op 8 november 2019 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel (voorzitter), Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03911
Datum8 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2019, nr. 17/8241 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. 17/1565), betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het beroep in cassatie heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep in cassatie of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.