Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen en medeplichtigheid aan het in voorraad hebben van valse bankbiljetten, strafbaar gesteld in art. 209 Sr Pro. Het Gerechtshof Den Haag sprak de verdachte vrij vanwege bewijsuitsluiting op grond van een onherstelbaar vormverzuim, namelijk het niet tijdig en naar behoren informeren van de verdachte over de inzet van een informant.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd. Het hof had niet duidelijk gemaakt waarom het herstelde vormverzuim vóór de inhoudelijke behandeling toch het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling had geschaad. Ook was het oordeel over het verkregen bewijsmateriaal ontoereikend onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. De zaak betreft een vervolg op eerdere jurisprudentie en sluit aan bij eerdere arresten over bewijsuitsluiting en vormverzuim.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest bewijsuitsluiting en verwijst zaak naar Gerechtshof voor hernieuwde berechting.