ECLI:NL:HR:2019:1746

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2019
Publicatiedatum
8 november 2019
Zaaknummer
18/00234
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 11a OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 11.3 OpiumwetArt. 140.1 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiezaak hennepteelt en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt, deelname aan een criminele organisatie, diefstal van elektriciteit en gewoontewitwassen. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

De verdachte stelde onder meer dat stukken die in een woning waren aangetroffen niet als bewijs konden dienen omdat hij daar niet woonde, en voerde een bewijsklacht aan tegen zijn deelname aan de criminele organisatie. Ook werd betwist of het hof strafverzwarende omstandigheden mocht betrekken die niet ten laste waren gelegd.

De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen zonder nadere motivering omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede doordat het hof de stukken te laat inzond en het cassatieberoep meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.

Hierdoor werd de strafduur verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Dit arrest bevestigt het belang van tijdige procedurele afhandeling en de toepassing van redelijke termijnen in strafzaken.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00234
Datum12 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2017, nummer 21/003249-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2019.