Conclusie
Het cassatieberoep
De zaak
Bespreking van de cassatiemiddelen
Bewezenverklaring en nadere bewijsoverweging
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of aanwezig hebben van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en/of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en
- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht en
- witwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420 BIS Pro/TER/QUATER van het Wetboek van Strafrecht;
Het eerste middel
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer van de verdediging dat – kort samengevat – inhoudt dat de in de woning aan de [f-straat 1] in [plaats 7] aangetroffen stukken, bescheiden en voorwerpen niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het bewezen verklaarde aangezien de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde niet in dit pand woonde, onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.
Het tweede middel
tweede middelbehelst allereerst de klacht dat het bewijs dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet Pro uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen.
derde middelbevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.