Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk uit opbrengst van een misdrijf verkregen goed voordeel trekken door samen te wonen met zijn vriendin en gebruik te maken van voorzieningen betaald uit haar bijstandsuitkering zonder dit te melden.
De Hoge Raad oordeelt dat de gebruikte bewijsmiddelen niet voldoende zijn om de bewezenverklaring te ondersteunen. Er is geen bewijs dat de voorzieningen zoals gas, water en licht of eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk uit de bijstandsuitkering van de vriendin werden betaald. Ook is niet bewezen dat verdachte wist dat zijn vriendin haar inlichtingenverplichtingen niet was nagekomen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs.