ECLI:NL:HR:2019:180

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2019
Publicatiedatum
7 februari 2019
Zaaknummer
18/03059
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep ongegrond in belastingaanslag 2009

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en stelde tevens incidenteel cassatieberoep in. Belanghebbende liet zich bijstaan door mr. F.H.H. Sijbers.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen in zowel het principale als het incidentele cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden. Artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie maakte nadere motivering overbodig omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Ten aanzien van proceskosten werd geen veroordeling opgelegd aan belanghebbende in het principale beroep, maar de Staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van de kosten in het incidentele beroep, vastgesteld op €1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het arrest werd gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep en het incidentele beroep ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitspraak

8 februari 2019
Nr. 18/03059
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 19 juni 2018, nrs. 17/00564 en 17/00565, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 14/8415 en AWB 15/4288) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. F.H.H. Sijbers, advocaat te Den Haag, en heeft daarbij tevens gereageerd op het incidentele beroep.
2 Beoordeling van de in het principale beroep en het incidentele beroep voorgestelde middelen
De middelen in het principale en het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in het incidentele beroep in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.