Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door de kantonrechter schuldig bevonden aan het niet voldoende zorgdragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, nadat zijn hond een andere hond had aangevallen en letsel had toegebracht. De kantonrechter legde geen straf op, maar wel een schadevergoedingsmaatregel aan het slachtoffer.
Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk op grond van artikel 404, tweede lid, aanhef en onder a, Sv, omdat volgens het hof geen straf of maatregel was opgelegd zoals bedoeld in artikel 9a Sr. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door de schadevergoedingsmaatregel niet als maatregel in de zin van artikel 9a Sr te beschouwen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep onterecht was.