Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een klaagschrift van een in Suriname gevestigde vishandelaar, klaagster, die teruggave vordert van een contant geldbedrag van €1.024.500,- dat in 2005 onder een verdachte in beslag is genomen op verdenking van heling en/of witwassen. De strafrechter had bewaring van het geld ten behoeve van de rechthebbende gelast. Klaagster stelt eigenaar te zijn van het geld en dat het was overgedragen voor de aanschaf van koelinstallaties.
Het hof heeft het klaagschrift ongegrond verklaard omdat klaagster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de rechthebbende is. De verdachte gaf wisselende verklaringen over het geld en noemde klaagster niet als eigenaar. De gestelde overdracht van het geld is niet onderbouwd met schriftelijke stukken of boekhoudkundige gegevens. Ook zijn er geen aanwijzingen van contacten met leveranciers van koelinstallaties, terwijl het geld maandenlang in bezit van de verdachte zou zijn geweest.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast door te toetsen of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het beroep in cassatie wordt verworpen en het klaagschrift blijft ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het klaagschrift blijft ongegrond verklaard.