Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 4 april 2018, nr. 15/8465 WW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 april 2018, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens was er een verzoek om wraking van belanghebbende, dat bij een eerdere beslissing buiten behandeling is gesteld.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 8 maart 2019 in het openbaar uitgesproken door raadsheren en de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.