Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
26 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €154.903,75. Dit betrof medeplegen van invoer van cocaïne, gewoontewitwassen en het aanwezig hebben van hasj.
Het hof baseerde de schatting op een eenvoudige kasopstelling waarbij ook contante stortingen op bankrekeningen van de partner van de betrokkene werden betrokken. Het hof verwierp het verweer dat de legale inkomsten hoger waren dan berekend en stelde vast dat het gehele bedrag van €92.669,30 aan contante stortingen van misdrijf afkomstig was.
De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met het feit dat het medeplegen van gewoontewitwassen was bewezen verklaard, waardoor niet aannemelijk zou zijn dat hij alleen de gehele opbrengst had ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit juist had gewogen en dat het middel berustte op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De Hoge Raad bevestigde daarmee de toegepaste methode van kasopstelling en de omvang van het ontnemingsbedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontnemingsmaatregel van circa €149.903,75.