Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
€ 154.903,75 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
eerste middelbehelst, mede bezien in het licht van de toelichting, de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of de vaststelling van de betalingsverplichting onbegrijpelijk zijn/is dan wel onvoldoende met redenen zijn/is omkleed, omdat de betrokkene is veroordeeld wegens medeplegen en het daarom niet aannemelijk is dat de betrokkene de gehele opbrengst heeft ontvangen.
1 januari 2010 tot en met 1 juli 2014 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan (onder meer) gewoontewitwassen van onder meer een bedrag van € 93.469,30. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld mede op basis van de door de betrokkene op de bankrekening van een medeverdachte gestorte contante geldbedragen.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de voortvarende behandeling in hoger beroep de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg voldoende heeft gecompenseerd, althans dat dat oordeel onbegrijpelijk is.