Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 november 2019.
Hoge Raad
De verdachte was niet aanwezig bij de zitting in hoger beroep, terwijl zijn raadsman ter zitting verklaarde dat hij de verdachte wel had verwacht. De raadsman verzocht de zaak aan te houden omdat hij had vernomen dat de verdachte mogelijk in detentie was. Het hof onderzocht dit en concludeerde dat er geen sprake was van detentie op het moment van de zitting en dat de verdachte op de hoogte was van de zitting.
De advocaat-generaal ondersteunde het oordeel van het hof en stelde dat de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht door niet te verschijnen en geen contact op te nemen met zijn raadsman. Het hof wees het verzoek tot aanhouding af en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van grieven.
De Hoge Raad bevestigde dat een rechter een verzoek tot aanhouding kan afwijzen indien de onderliggende omstandigheid niet aannemelijk is, zonder uitgebreide belangenafweging. Het hof had terecht geoordeeld dat de vermeende detentie niet aannemelijk was, waardoor het verzoek tot aanhouding terecht werd afgewezen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de verdachte wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen.