Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de beslissing van het hof op het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof er geen blijk van heeft gegeven de vereiste belangenafweging te hebben gemaakt.
De raadsman deelt desgevraagd mede:
Mijn cliënt zat in detentie vanwege een overleveringsprocedure. Ik heb afgelopen vrijdag, 5 juli 2019, een terugbelverzoek uitgezet bij de PI, maar ik kreeg het bericht dat hij niet meer in de PI in Zaanstad verblijft. Ik weet niet waar mijn cliënt momenteel verblijft. Ik verzoek het hof om de zaak aan te houden, omdat mijn cliënt graag ter terechtzitting aanwezig wenst te zijn.
Ik beschik niet over een afstandsverklaring en ik weet ook niet of de verdachte op dit moment gedetineerd zit.
Ik weet niet of mijn cliënt op de hoogte is van de terechtzitting van heden.
Mijn cliënt wenst aanwezig te zijn ter terechtzitting bij de behandeling van de zaak en gelet hierop verzoek ik het hof om de zaak toch aan te houden.
Het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden zal afgewezen worden. De verdachte had ter terechtzitting aanwezig kunnen zijn vandaag en er zijn geen stukken ingediend waaruit zou blijken dat hij niet aanwezig zou kunnen zijn.
NJ2019/285, m.nt. Mevis. Dit beoordelingskader, waarnaar ook in de toelichting op het middel wordt verwezen, houdt onder meer het volgende in:
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte - of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd - ware het juist - in de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan - afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. (Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL: HR:2018:251, NJ 2018/119.)
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. (Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730,NJ 2002/466.)
Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, in geval van afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.”
NJ2020/24, m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad zich nader uitgelaten over een soortgelijk geval. Voor een goed begrip, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, geef ik hieronder de rechtsoverwegingen van de Hoge Raad weer, waarbij ik, met het oog op de onderhavige zaak, in het bijzonder aandacht vraag voor rov. 2.4.4:
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.