Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 4 april 2018, nr. 15/8466 ZW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Ziektewet.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op grond van de Ziektewet.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de belanghebbende onvoldoende belang bij het beroep had dan wel omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Daarnaast was er een verzoek tot wraking ingediend door belanghebbende, dat door de Hoge Raad buiten behandeling werd gesteld.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, en sprak dit arrest uit op 8 maart 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en gegrondheid.