ECLI:NL:HR:2019:1873
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Nietigheid wijziging huwelijkse voorwaarden en gevolgen voor schenkbelasting
Belanghebbende was gehuwd op huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van huwelijksgoederengemeenschap. In 2009 sloten belanghebbende en haar echtgenoot een overeenkomst tot verrekening van overgespaarde inkomsten, waarbij een bedrag van €10.000.000 werd toegekend aan belanghebbende. Deze overeenkomst werd later door het hof nietig verklaard omdat niet voldaan was aan de vormvereisten voor wijziging van huwelijkse voorwaarden.
De Inspecteur legde een aanslag schenkbelasting op wegens een vermeende schenking in 2010 van bijna €10 miljoen. Het hof oordeelde dat sprake was van een schenking omdat de overeenkomst een vermogensverschuiving inhield en de vereiste vrijgevigheid aanwezig was. Belanghebbende stelde dat de betaling een verrekening binnen het huwelijk betrof en geen schenking.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de nietige overeenkomst toch een vordering had doen ontstaan zonder nadere motivering. De verwijzing naar de nietigheid van de overeenkomst kon niet leiden tot het oordeel dat er toch een schenking was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en belanghebbende kreeg vergoeding van het griffierecht. De zaak betreft de uitleg van de Successiewet in relatie tot nietige huwelijkse voorwaarden en de fiscale gevolgen daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.