ECLI:NL:HR:2019:1874
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overdrachtsbelasting bij verkrijging van appartementsrecht in voormalig kantoorgebouw met woonbestemming
Belanghebbende verwierf in 2016 een appartementsrecht in het zogenaamde [Q]-blok te [Z], een voormalig bedrijfs- en kantoorpand dat door de gemeente was omgevormd tot woonbestemming middels een afwijkingsbesluit omgevingsvergunning. Diverse bouwkundige voorzieningen waren aangebracht om bewoning mogelijk te maken, maar belanghebbende moest nog zelf de binnenafwerking en voorzieningen zoals keuken en badkamer realiseren.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verkrijging van het appartementsrecht moest worden aangemerkt als de verkrijging van een woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer, waardoor een lager tarief van twee procent overdrachtsbelasting van toepassing zou zijn in plaats van zes procent.
Het Gerechtshof Den Haag had deze vraag bevestigend beantwoord, hetgeen door de Staatssecretaris van Financiën werd bestreden in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden, mede gelet op een gelijktijdig gewezen arrest met nummer 18/04593, en verklaarde het beroep ongegrond.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en legde een griffierecht van € 508 op aan de Staatssecretaris van Financiën. Hiermee blijft het lagere tarief van overdrachtsbelasting van toepassing op de verkrijging van het appartementsrecht in het voormalige kantoorgebouw met woonbestemming.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard, waardoor het lagere tarief van overdrachtsbelasting van toepassing blijft.