Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
De verdachte, die 22 jaar ouder is dan [slachtoffer] , heeft de in de bewezenverklaring genoemde ontuchtige handelingen verricht. De seksuele relatie is ontstaan toen de verdachte de handbalcoach was van [slachtoffer] en zij 16 jaar oud was. [slachtoffer] was een jong, kwetsbaar meisje, dat kampte met een eetstoornis en een moeizame relatie had met haar ouders. De verdachte was van deze kwetsbaarheid op de hoogte. [slachtoffer] besprak haar problemen met de verdachte. Hij fungeerde als vertrouwenspersoon voor [slachtoffer] en hij is onder meer met haar meegegaan naar een intakegesprek bij het centrum PsyQ waar zij werd behandeld, omdat [slachtoffer] hem liever daarbij wilde hebben dan haar ouders. [slachtoffer] keek tegen de verdachte op en was bang zijn vriendschap te verliezen; van een gelijkwaardige relatie was geen sprake. Zij durfde niet te zeggen dat de verdachte moest stoppen met seksuele handelingen; zij was bang dat hij haar zou laten vallen en zij alleen zou zijn. Aan deze feiten en omstandigheden heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden - en ook kunnen verbinden - dat sprake was van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bij de verdachte op [slachtoffer] .
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
3 december 2019.