Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd bewezenverklaard dat hij een minderjarige, via giften, beloften en misbruik van overwicht, heeft bewogen tot ontuchtige handelingen. Het geschilpunt in cassatie was de uitleg van het begrip 'bewegen' in artikel 248a Sr.
De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting dat 'bewegen' slechts kan worden aangenomen indien sprake is van het breken van psychische weerstand onjuist is. Het vereiste causaal verband houdt in dat het slachtoffer mede onder invloed van giften, beloften, misbruik van feitelijke verhoudingen of misleiding is overgegaan tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.
Het hof had geoordeeld dat verdachte opzettelijk de aangever had bewogen tot ontuchtige handelingen, wat niet onjuist of onbegrijpelijk was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.
De bewezenverklaring was gebaseerd op uitgebreide verklaringen van het slachtoffer en getuigen, proces-verbalen van politieonderzoek, en communicatie via mobiele telefoons en apps. De verdachte had via internetcontacten en persoonlijke ontmoetingen het vertrouwen van het slachtoffer gewonnen en hem tot seksuele handelingen bewogen, ondanks diens minderjarigheid.
De Hoge Raad benadrukte dat het begrip 'bewegen' in art. 248a Sr een ruimere betekenis heeft dan louter het doorbreken van psychische weerstand en dat de bewezenverklaring en het oordeel van het hof daarmee in overeenstemming zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft bewogen tot ontuchtige handelingen in de zin van art. 248a Sr.