Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 maart 2018, waarin hij werd veroordeeld voor zware mishandeling. De mishandeling bestond uit meermalen slaan tegen het hoofd van het slachtoffer, waardoor deze blijvende schade aan gehoor en gebit opliep.
In cassatie werd onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte een verklaring van een medewerker van Slachtofferhulp Nederland als bewijs had meegewogen, terwijl deze niet als getuige was beëdigd. De Hoge Raad oordeelde dat dit geen reden was om het cassatieberoep toe te laten, omdat het middel niet tot cassatie kon leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het hof en verwierp het beroep van verdachte zonder nadere motivering. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 10 december 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.