Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het verzet tegen een strafbeschikking centraal. De verdachte had op 22 februari 2016 verzet ingesteld tegen een strafbeschikking van 9 december 2015, die een betalingsverplichting van €300,- betrof wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie. De politierechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de strafbeschikking op 9 december 2015 persoonlijk aan de verdachte was uitgereikt, waarmee de termijn van veertien dagen voor het instellen van verzet op die datum begon te lopen.
De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld dat de strafbeschikking persoonlijk was uitgereikt, omdat er geen aantekening was gemaakt in de landelijke registers. Het hof oordeelde echter dat de processen-verbaal van politie dezelfde bewijskracht hebben als een registratie in die registers en dat uit deze processen-verbaal kon worden afgeleid dat de uitreiking had plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte.
De Hoge Raad benadrukte dat de wettelijke voorschriften erop gericht zijn duidelijk vast te leggen wanneer de verdachte bekend is met de strafbeschikking, zodat de termijn voor verzet correct kan worden berekend. De stelling van de verdachte dat hij bij zijn heenzending niets had ontvangen, deed hieraan niet af. Het verzet was derhalve te laat ingediend en niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen de strafbeschikking is te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.